‘Een tuin begint met durven dromen’
Van het theater de tuin in. Het bleek voor Tielenaar Michel Lafaille, eerst theaterregisseur, nu tuin- en landschapsontwerper en auteur van twee verfrissende tuinboeken, niet eens zo'n hele grote stap. „Je maakt in beide gevallen werelden, alleen het materiaal is anders.”
Zijn eigen achtertuin in Tiel telt twee rijen dikke, vierkante palen met klimmers er tegenaan. Rozen, trompetbloemen, druif, kamperfoelie; daartussen staat in de zomer een grote tafel op de gele klinkers. „Want dát is wat wij graag willen: een plaats om bijeen te zitten.”
Met Stadstuinen en De Methode debuteert Michel Lafaille als tuinboekenauteur. Met name De Methode is verfrissend anders. Het is een handleiding om mensen hun eigen droomtuin te laten ontwerpen, met de nadruk op eigen. Lafaille: „Er zijn miljoenen tuinboeken, maar geen enkel boek gaat uit van: wat wil ik eigenlijk?” In zijn boek neemt hij de lezer via een aangename schrijfstijl bij de hand. Dat begint heel simpel: ‘Ik kom aan en zet de fiets in de schuur (...) Wat wil ik zien als ik thuis kom?’
De meeste mensen beginnen bij het ontwerpen van hun tuin volgens Lafaille bij het eind, de plantjes. „Maar die plantjes, die komen vanzelf. Je moet beginnen met durven dromen. Schrijf op wat je wilt, ook al is dat misschien niet betaalbaar. Door te dromen kom je namelijk weer op andere ideeën, die wellicht wél uitvoerbaar zijn. Ga bij het ontwerpen van een tuin uit van wat je zelf wilt, dat is dus De Methode. Het lijkt zo simpel. maar uit de honderden gesprekken die ik tijdens tuinspreekuren voer blijkt dat 95 procent van de mensen echt helemaal niet weet wat ze willen in de tuin.”
Niet alleen wat, maar ook waarom je iets wilt is belangrijk. „Iemand kan bijvoorbeeld water willen in zijn tuin. Maar waarom wil je water? Na lang doorvragen kwam ik er bij iemand achter dat ze water wilde ais een soort van reflectie, een plek waar ze ongegeneerd kon treuren om haar overleden echtgenoot. Het is belangrijk dat te weten.”
Lafaille (Antwerpen, 1951) studeerde theaterregie in Brussel, kwam op zijn 25e in Nederland terecht en werkte jarenlang samen met Herman van Veen. In 1994 ging hij tuin- en landschapsinrichting studeren. „Ik was klaar in het theater”, verklaart hij. „Als ik mezelf wil uitdagen, moet ik mijn grenzen verleggen, dacht ik.”
Van het theater de tuin in bleek achteraf gezien niet eens zo'n hele grote stap. „Je maakt, suggereert in beide gevallen werelden. Alleen het materiaal waarmee je werkt is anders.” Hij haalt Lancelot ‘Capability’ Brown aan, een beroemd Engels landschapsarchitect. „Hij werd Capability genoemd omdat bij hem alles mogelijk was. Hij liet tientallen mensen met volwassen bomen slepen. Iets naar links, iets naar rechts, totdat het goed stond. Weet je wat het interessante is? Die man was dus decorontwerper geweest.”
„Hier zit alles in”, zegt hij over zijn boek De Methode. Hij schreef de uitgave niet alleen, maar deed ook de fotografie en was nauw betrokken bij de vormgeving. Hij wil de mensen graag laten zien, leren kijken. Dat er één woord voor groen is, maar dat groen zo veel meer is. Uit De Methode: ‘Wat is groen en loopt door het bos? Juist, een dophert. Wat is groen en zit op het hek? Verf. Wat is groen en glijdt door de sneeuw? Een skiwi. Tot hier.’
Naarmate het boek vordert, wordt het filosofischer. ‘Kleine uitstapjes voor de geest’, zoals hij het zelf noemt. Het is weer eens wat anders dan ‘zo snoeit u een vlinderstruik’. Lachend: „je hoeft het natuurlijk niet allemaal in één keer te lezen.”
Het kostte een paar centen aan rechten, maar toch heeft hij twee werken van Vincent van Gogh in De Methode opgenomen. Zijn boodschap: „Kijk nou eens hoe hij heeft gekeken. Hoe Van Gogh het landschap neerzet. Als je dat begrijpt, kun je het toepassen.”
Judith Lissenberg
De Gelderlander 5 april 2006
|