Tuinontwerper is ook een beetje psycholoog
Theaterregisseur Michel Lafaille verruilde zo'n tien jaar geleden het rode pluche van het theater voor natuurlijk groen. Nu ontwerpt hij onder andere tuinen en parken. Onlangs verschenen twee boeken van zijn hand, waarin de mens steeds centraal staat. „Pas als een tuin bij je past, kun je er gelukkig zijn.”
De in Antwerpen geboren tuinontwerper Michel Lafaille (1951) lacht erom, Nee, hij heeft er totaal geen moeite mee om zichzelf te bestempelen als een vreemde vogel. „Maar je mag het aan niemand vertellen,” voegt hij er grijnzend aan toe, Lafaille in een notendop.
Wie zich ook maar even verdiept in het leven van de Vlaming, weet dat Lafaille een bijzonder mens is, Zo was hij jarenlang actief als theaterregisseur, zowel in Nederland als België. Lafaille werkte intensief samen met onder andere Herman van Veen, Willem Wilmink en Harry Sacksioni, maar medio jaren negentig gaf hij een draai aan zijn leven. In 1997 rondde hij een studie tuin- en landschapsinrichting af aan de Hogeschool Larenstein in Velp. Sindsdien ontwerpt hij onder andere particuliere tuinen, parken en openbare buitenruimtes.
„De theaterwereld zit vol met herhaling en daar houd ik niet van,” verklaart Lafaille de ongebruikelijke overstap. „Ik wil op zoek naar mezelf. Ik ben nieuwsgierig, onderzoekend.” Waarom, ontwerpen? „Omdat ik het gevoel heb dat het dicht bij me staat.” Hoe dicht, dat spreekt uit de twee tuinboeken van zijn hand die dit voorjaar verschenen In Stadstuinen en De Methode zet Lafaille zijn opvallende visie uiteen. De eeuwige discussie. Doet een tuinontwerper onder voor de tuinarchitect? Nee, vindt Lafaille. „Een tuinarchitect heeft een universitaire opleiding, maar dat betekent niet automatisch dat hij creatief is. Ze gaan te vaak voor het mooie plaatje,” meent hij. Lafaille ziet zichzelf daarentegen nadrukkelijk niet als kunstenaar, eerder als dienstverlener die zijn opdrachtgevers aan de hand neemt. „Ik ontwerp nooit voor mezelf, maar altijd voor iemand anders.”
Mede daaruit blijkt zijn bijzondere visie. De Vlaming gelooft oprecht dat een tuin de mens gelukkiger kan maken, Waarom? „Omdat de tuin onderdeel is van onze leefomgeving.” Om die reden probeert hij zijn opdrachtgever zo goed mogelijk te doorgronden. Want die zegt volgens Lafaille zelden direct wat hij echt wil, maar wijst bijvoorbeeld naar de tuin van de buren of naar een voorbeeld uit een tuintijdschrift of -programma.
Lafaille stelt alles in het werk om uit te vinden wat de echte wensen van zijn opdrachtgever zijn. „Gebruikt hij de tuin vooral zelf of wil hij graag indruk maken op anderen? Uiteindelijk moet de opdrachtgever het gevoel hebben dat het goed is, want pas als de tuin bij hem past, kan hij er gelukkig zijn. Ja, als ontwerper ben je ook een beetje psycholoog.”
En juist aan die psychologische factor gaan veel collega’s volgens hem voorbij. Lafaille weet dat mensen zelden zomaar een tuin inrichten. „Dat doen ze op een aantal belangrijke momenten in hun leven, bijvoorbeeld bij een verhuizing, na een scheiding of als alle kinderen het huis uit zijn. Dat moet je altijd in je achterhoofd houden.”
Daarom is zijn vak volgens hem ook niet overbodig. „Natuurlijk kan iedereen in principe zelf een tuin inrichten, maar je moet niet vergeten dat mensen juist op dergelijke momenten vaak emotioneel zijn. Ze verliezen zich in de informatie die ze krijgen. Bovendien ontbreekt het de particulier aan vakmanschap en discipline.”
Dat die nodig is, spreekt uit zijn boek De Methode. Daarin staat niet de begroeiing, maar de plattegrond Centraal. „Omdat het gaat om de inrichting van een ruimte,” legt hij uit. „De specifieke invulling komt later, die is minder belangrijk.”
Maar ontwerpen is voor hem ook niet zomaar mooie lijnen trekken. Want wat is de zin van een kronkelend paadje in een tuin van zes meter diep, vraagt Lafaille zich af. „Dat ziet er op tekening misschien mooi uit, maar in de ruimte komt het niet over, werkt het niet,” Hier gelden de wetten van de logica, denkt hij, omdat mensen automatisch geneigd zijn de kortste weg te nemen. „Tenzij er een vijver ligt, gaat iemand liever rechtdoor.”
Het is dus de ruimte zelf die bepalend is voor de plattegrond. „Het voelt niet prettig als de buren zomaar in de tuin kunnen kijken. Met een haag voorkom je dat,” noemt Lafaille als voorbeeld. „Als je op die manier een tekening maakt, ontstaat het ontwerp vanzelf.” Zijn opvattingen raken aan Feng Shui, de oosterse leer die stelt dat de inrichting van de woonomgeving van invloed is op ons welzijn. „Maar als je jezelf in die leer verdiept, blijkt dat we vaak automatisch de goede keuzes maken.”
Zijn keuzes zijn eigenlijk simpel. Lafaille gelooft niet in trends. Ook de stortvloed aan producten die via de tuincentra aan komen waaien, is aan hem niet besteed. Ze zijn een gevolg van de consumptiemaatschappij, vindt hij. „Ik stel opnieuw de mens centraal. Op een manier die ik ook ben tegengekomen in de tuintijdschriften van de jaren vijftig en zestig. Een tuin of landschap is een verhaal. De belangrijkste eigenschap daarvan is, dat mensen, na verloop van tijd, verrast willen worden.”
Een dergelijke zienswijze laat Lafaille ook los op zijn website, waarop niet alleen tuinontwerpen, maar ook foto’s en verhalen van zijn hand te vinden zijn. Bovendien houdt hij vrijwel dagelijks een weblog bij. Met zoveel bedrijvigheid is de rust waarmee de Vlaming zijn verhaal doet, opvallend. Die rust hangt samen met zijn leeftijd, zegt hij. „Die komt vooruit een soort begrijpen, maar geeft me wel de kracht om te doen wat ik doe.”
Paul Geerts
Het Parool (PS Wonen), 7 juli 2006
De methode (ISBN 9026929811) en
Stadstuinen (ISBN 90 288 2983 8),
uitgeverij Uniebook, € 24,95 per stuk.
|