A van Antwerpen
Telkens
als ik weerkom in Antwerpen, weet ik wie ik ben. Hier
heb ik als jongentje gespeeld, door deze straten heb
ik geslenterd, in deze klanken ben ik opgegroeid. De
eerste communie, de eerste theatervoorstelling, de eerste
kus. Alles was hier voor het eerst. Dat zet de toon,
men staat in de grondverf. Mijn eerste school was gelegen
in een park, dat moet zijn invloed hebben. Hier beleefde
ik mijn eerste nachtelijke dwaaltocht door een stad.
En dwalen, kun je in deze stad van uitersten, waar een
regenboogcollege het stadhuis regeert maar het Vlaams
Blok de agenda bepaalt.
Terugkomen
in je geboortestad levert doorgaans een ingewikkeldheid
aan gevoelens op. Een complex vermogen van zintuiglijk
bewustzijn. Allerlei herinneringen dringen zich uit het
onbewuste naar boven. De kleur van de huizen, de lengte
van de straten, de klanken van het dialect. Je hoort
opnieuw een vriend iets roepen, je ziet wederom de oude
tram, je herinnert je het jongetje dat je was. De spanning
toen je voor het eerst alleen naar de bakker moest, de
hitte tijdens de zomervakantie die boven de trottoirtegels
hangt, het wachten op je kameraden om samen naar school
te gaan. Die beelden en emoties verwarren zich op hun
beurt met de redenen waarom je eens bent weggegaan. Je
voelt je hier weer thuis maar wilt daar niet aan toegeven,
want het ‘thuis’ heeft zich verplaatst. Blijft
dit hier dan uiteindelijk toch je échte thuis?
Dient men zich in de geboorteplaats eigenlijk thuis te
voelen? Algauw komt het credo te voorschijn over de beroemde ‘wortels’.
Men mag de stad of streek waar men vandaan komt nooit
verloochenen, maar heeft dat feitelijk al gedaan door
te vertrekken.
Maar waar zijn de stemmen van je ouders, die je eens alle dingen
konden vertelden of verklaren? Die overal de weg wisten? Waar is
je vriend, want die woont hier nu niet meer? Waar is de stilte
van de zondagochtend die eens hier in de straten hing? Je bent
ontheemd en vertrouwd tegelijk. I’m a legal alien zingt
Sting op de autoradio.
Je herkent de stad nog steeds zoals ze toen voor je was. Natuurlijk
is het nu Rubensjaar, want je bezocht toen al het Rubenshuis. Natuurlijk
is de winkelstraat nu autovrij, want het was destijds al te druk.
Maar hoe klein is dit pleintje eigenlijk en je wist niet dat de
schouwburg en de dierentuin zo dicht bij elkaar lagen.
Door
deze moeilijk te doorgronden gemoedsbeweging waarin je
terecht komt, ontstaat een groot dualisme in het eigen
beschouwen. Wat je daarnet nog dacht is weg: je weet
integendeel juist hoe langer hoe minder wie je eigenlijk
bent. Dat zo sterke vermoeden dat zich nog maar enkele
ogenblikken geleden van je meester maakte is weer helemaal
verdwenen. Misschien is juist die samengestelde overvloed
en omvangrijkheid van gevoelens, die zich als delen binnen één
geheel voordoen, wat Antwerpen voor mij persoonlijk betekent.
Dit
jaar ook nog Wereldboekenstad. De vrouwelijkste kathedraaltoren
van de wereld en de meest imponerende stationskoepel.
De tweede grootste haven van de wereld, de grootste privé-dierentuin
ter wereld, de grootste bluffers van de wereld. Gastvrij
tot in het kleinste cafeetje in het kleinste uurtje,
het ‘Eigen volk eerst’ als grootste partij.
Stad van mode, stad van poëzie. Stad van grote culturele
manifestaties, stad van Willem Elsschot en Hugo Claus.
Als ik er met gasten rondwandel kan ik niet zwijgen,
maar vraag me alsjeblief niet er iets over te vertellen.
Stad van Brabo (die de hand wierp), Lange Wapper (legende
die reus kon worden) en Willy Van der Steen (Suske en
Wiske). Stad van tramlijnen en Flandriaboten. Stad van
het ongewone, het altijd onvoorspelbare, de andere kant
van de waarheid. Antwerpen, waarom houd ik toch zo van
jou?
Michel Lafaille
mei 2004
|