Het geheim
van het bosje
Soms
zie je er wel eens eentje staan. Altijd alleen, wat verloren in de omgeving,
als een restant van wat misschien eens een echt bos is geweest. Wie weet was
het wel een groot donker bos, een woud? Niet naar de letter van het woord waarschijnlijk,
maar wel naar de geest. Want soms kan zo’n bosje nog wel even huiveringwekkend
zijn als een woud vroeger moet geweest zijn. Is dat eigenlijk niet wat ons zo
aantrekt in het bosje, dat ijselijke wat we bijna nergens anders meer tegenkomen.
Iets wat ons tegelijk aantrekt en afstoot. Het is iets oppermachtig en onbenoembaar
tegelijk. Het trekt aan, want het staat voor avontuur, voor het onbekende, het
nog niet veroverde. Het stoot af want het jaagt angst aan, het staat voor het
wilde in onszelf, het dierlijke, het onbeheersbare.
Dante Alighieri, de Florentijnse dichter, begint in 1321 zijn La Divina Commedia
(De goddelijke komedie) als volgt:
Op het midden van ons levenspad gekomen,
Kwam ik bij zinnen in een donker woud,
Want ik had niet de rechte weg genomen...
Deze botsing
binnen in ons zelf voelen wij heel duidelijk op die kleine momenten die we slechts
zo af en toe eens en dan alleen bij toeval tegenkomen. We parkeren de auto, stappen
even uit en lopen zonder het zelf goed te beseffen zo’n
bosje in. Langs een polderweg gelegen, bij een parkeerplaats langs een snelweg
of verscholen tussen enkele heuvels. We zijn niets van plan, willen slechts heel
even maar aan de wereld ontsnappen. Even zonder enige connectie zijn met ons
alledaagse leven. Eventjes vertoeven in de ondoordringbaarheid van ons eigen
geheim, waar dit bosje symbool voor staat. Het is dezelfde aantrekkingskracht
die leidt tot de tragische botsing tussen natuur en stad, wildernis en civilisatie.
De religie rekent op God, de filosofie op de rede, maar wij staan even alleen.
We hebben een plotse drang om te gaan dolen, om te verdwalen. Maar het bosje
is daarvoor te klein en het geeft ons met zijn kruidige randen die na enkele
stappen alweer gelijk overal in het zicht komen een verhevigd gevoel van onvermogen
om onszelf te verliezen in het onbekende. De orde van de stad heeft ons alweer
ingehaald...
Ach, waren we nog maar zoals Jean Jacques Rousseau, die in zijn
overpeinzingen als eenzame wandelaar (1782) nog kon geloven in de Romantiek en
die juist de stad en de beschaving als huiveringwekkend zag en niet de wilde
natuur. De natuur was onbedorven en oprecht en zou van ons alleen maar een beter
mens maken terwijl we hier zo alleen in een bosje vertoeven.
Maar ons rondhangen in het bosje, hoe eventjes het ook maar is, is natuurlijk
slechts een soort in de spiegel kijken. We weten wel dat we hier geen antwoord
op onze vragen zullen krijgen of vinden. We horen slechts de echo, de weerkaatsing
ervan terug en dat vinden we fijn. Misschien moeten we dus wel zeggen dat we
even alleen met onze vragen willen zijn? Misschien wil het zeggen dat wij alleen
maar blij zijn dat we nog levensbeschouwelijke vragen hebben en kunnen stellen?
Dat we niet afgestompt geraakt zijn, niet onverschillig geworden zijn voor de
zin of cynisch geworden zijn door angst. We zijn blij dat we nog het vermogen
hebben onszelf in ons geestesleven te kunnen waarnemen en daar is zo’n
bosje uitstekend geschikt voor...
Vroeger
noemde men zo’n bosje een geriefhoutbosje,
omdat de boer er zijn geriefhout in had aangeplant voor het eigen gebruik. Bezemstelen,
bonenstaken, stokken... Het waren vooral staken dicht naast elkaar geplant,
waardoor je een beetje door het bosje heen kon kijken. Tegenwoordig is zo’n
bosje wel eens wat verwilderd, en geslotener. Soms is het een verlaten eendenkooi
of een half omgewaaid populierenbosje. Maar zo’n soort bosje brengt nooit
enige verlichting want de natuur is daar té aanwezig. Een haas springt
weg, een patrijs schrikt op, een buizerd pie-joewt. Dat leidt af van onze eigen
gedachten. Het geheimzinnige, het noodlottige, het onheilspellende is alweer
verdwenen en we staan plots weer heel concreet in een gewoon bosje en vragen
ons af wat we hier te zoeken hadden terwijl er nog zoveel werk wacht.
Michel Lafaille
mei 2005
|