We
waren natuurlijk gewaarschuwd. Poesjkin, Tolstoi en Dostojewski
vertelden erover, Toergenjew, Gogol en Boelgakov beschreven
het, Oblomov en Lermontov verhaalden het.
Dokter Zjivago gaf ons al glimpen, Stravinsky liet het ons horen. En nu laat
Henk van Os het ons zien. Hij laat het ons zien via het oog van de landschapsschilders
uit de 19de eeuw.
Het Russische Landschap
U
hebt erover gehoord, u hebt erover gelezen. De tentoonstelling
in het Groninger museum. Het is een hype, het is een
must. Maar waar komt dit geheim vandaan? Hoe is het ontsloten?
Waarom spreekt de toenmalige zoektocht van die onbekende
schilders naar hun eigen Russische identiteit die zich
zou weerspiegelen in hun landschap vandaag een zo groot
publiek aan?
We zoeken het antwoord bij de samensteller van de expositie, de bedenker van
het fenomeen, de ontwerper van deze kijkmachine. Want deze expositie dreigt
(wederom) een ware furore te worden, na het onverwachte en overweldigende succes
van Ilja Repin, het geheim van Rusland (2002). Dit patent op succes is niet
zozeer van het Groninger museum zelf, alswel van de samensteller van de tentoonstelling
Prof. Henk van Os, voormalig directeur van het Rijksmuseum Amsterdam. Denk
maar aan zijn vroegere tentoonstellingen ‘De weg naar de hemel’ (2000)
en ‘Gebed in schoonheid’ (1995).
Lees ook zijn boek ‘Zien is geloven’ waarin Van Os stelt elke keer
weer verbijsterd te zijn ‘dat wat wezenlijk is, ook zichtbaar gemaakt
kan worden; sterker nog, dat je door beelden kan ontdekken waar het echt om
gaat’. Vervolgens zet Van Os uiteen dat dit uitgangspunt voor de woorden
die je gebruikt beperkingen inhoudt: ‘Ze kunnen en mogen niet anders
dan ondergeschikt zijn aan wat je hebt gezien’. Met woorden kan je de
mogelijkheid dát beelden openbaren teniet doen.
College
In
een statig grachtenhuis te Amsterdam huizen de hoogleraren
van de universiteit. Hier resideert het intellectuele
genot. Henk van Os ontvangt ons even galant en een tikkeltje
verstrooid als zijn evenbeeld dat wij kennen van de televisie,
de vertrouwde verschijning die ons altijd geduldig en
altijd even zorgvuldig uiteenzet ‘hoe’ wij
naar een kunstwerk moeten kijken met daarbij steeds vaag
die honderduizend boeken als achtergronddecor die hij
voor ons heeft gelezen, om ons dit alles zo eenvoudig
en beknopt te kunnen uitleggen. Van Os geeft doorlopend
college. Het is dan ook niet vreemd dat hij op onze vraag
waarom de titel van de tentoonstelling verwijst naar
het Russische landschap en niet bijvoorbeeld naar de
schilders of een kunststijl, onmiddellijk refereert aan
een collegereeks die hij geeft naar aanleiding van deze
tentoonstelling getiteld ‘Ingelijste Natuur’.
“Ik ben daarin geheel niet geïnteresseerd in kunsthistorische stilistische
onderscheidingen, maar meer in het verhaal wat er gebeurt als we een stuk natuur ‘framen’,
in een lijstje zetten. Wat gebeurt er binnen die lijst en wat gebeurt er met
je natuurbeleving daarna, buiten die lijst. Want het is ongetwijfeld zo dat de
Russische natuur eigenlijk een eindeloos niets aanbiedt met doodvervelende landschappen
en pas door ‘framing’ betekenis krijgt. Dat vind ik het fascinerende
dat die schilders heel bewust bezig waren met het feit dat hun eigen land de
uitdrukking moest worden van de Russische ziel; wat dat dan ook maar wezen mag.
Zij zijn daar met veel meer besef mee omgegaan dan heel veel andere landschapsschilders
in de 19de eeuw. Dus de natuur tot landschap maken, tot iets wat een esthetische
ervaring zou kunnen zijn, dát hebben zij gedaan en dát zie je ook
heel erg in de tentoonstelling. De meeste werken hebben als kenmerk dat die eindeloosheid,
soms zelfs geheel ongearticuleerd –gewoon zó– zichtbaar wordt
gemaakt. Daardoor heeft die eindeloosheid betekenis gekregen. Door die esthetisering
van ‘framing’ ontstaat de mogelijkheid om dat te beleven.”
Tuinkunst
Wat
Van Os vertelt klinkt natuurlijk als een aha-erlebnis
in de oren. Dit principe van framing werd ook gebruikt
in de Engelse tuinkunst door Lancelot ‘Capability’ Brown,
in de 18de eeuw. Zijn bijnaam ‘Capability’ kreeg
hij omdat hij bij zijn ontwerpen steeds van de mogelijkheden
van het landschap uitging. Brown was minder geïnteresseerd
in de klassieke landschapsschilderijen en pastorale literatuur
van zijn tijd, dan in de directe zinnelijke effecten
van de natuurlijke elementen. Het ging hem minder om
een betekenisvolle opeenvolging van tuinbeelden dan om
een ruime landschapscompositie. Alles stond in dienst
van de bedachte compositie en hij schrikte er niet voor
terug om zijn mensen met volwassen bomen over het terrein
te laten rondsleuren tot hij de juiste plek gevonden
had. Brown kwam dan ook uit het theater, als decorontwerper,
en geloofde in de dramatisering van het landschap.
Wat de Russische schilders deden is echter omgekeerd gebruik maken van het
al bestaande landschap door hierop figuurlijk zodanig in- of uit te zoomen
dat een echtere werkelijkheid ontstond. De oneindigheid van het landschap wordt
geaccentueerd doordat het buiten de lijst van de (soms reusachtige) schilderijen
doorloopt. De grootsheid en weidsheid van het woud wordt gesuggereerd door
het frame juist te verkleinen en slechts een schijnbaar (maar ook weer reusachtig)
detail van het bos te tonen, alsof het eeuwig doorloopt buiten het schilderij.
Men wordt letterlijk uitgenodigd deze werelden, deze landschappen binnen te
stappen en er zich te verdwalen.
Europa
Van
Os vertelt dat hem zo opvalt dat in de 19de eeuw al die
landschapsschilders in heel Europa hun eigen land ontdekken,
een buitengewoon nationalistische onderneming, al dan
niet bewust. Tot 1800 had alleen Nederland een schilderkunst
van het eigen land. Nederland was hét voorbeeld
van schilders die hun eigen land schilderden, vertelt
hij, omdat ze hun eigen territoriaal in beeld wilden
zien als het ware. Dan pas gaan schilders dat bijvoorbeeld
ook in Scandinavië doen. Tot 1800 schilderde men
alleen in Italië, dat was het kader van de landschapsschilderkunst,
daar moest men heen om er te werken.
Het is dus heel interessant om de Russen met hun waanzinnige intensiteit toe
te voegen aan het palet van de Europese kunst, want hierdoor werd hij zich
in kunsthistorisch perspectief van dit soort gegevens bewust.
Op de vraag of deze Europese kunstetalage in de toekomst tot een beter begrip
en bevattingsvermogen van het eigen continent voor de Europanen zou kunnen
leiden, in plaats van alleen de abstracte idiomen (Euro, wetgeving, lidstaten)
antwoordt Van Os heel positief.
“Stel je een tentoonstelling voor waarin de tien grootste musea uit Europa
elk vijf landschapsschilderijen aanbrengen. Het zou voor het eerst zijn dat men
Europa op een dergelijke manier in beeld zou zien en zich realiseert dat het één
landschap uitmaakt, welk het nationalistisch denken overstijgt. Men moet Europees
gaan om de nationale verschillen te zien. Als die regionale verschillen opblazen
worden tot nationale indelingen en vérdelingen, dan blijft dat een19de
eeuwse zienswijze, zonder dat men precies kan zien wat het is, wat het in zijn
totaliteit voorstelt. Europees uitgezoomd ziet men pas dat ook die Russen Europees
geschoold waren, wat ze zelf zoveel mogelijk hebben probeerden te verbergen,
en omdat ze Europees geschoold waren iets konden doen wat anderen niet deden
in bijvoorbeeld Scandinavië, Algerije of in Nederland. Dan krijg je een
interessante differentiatie, die je historisch kunt plaatsen. Heel veel landen
of scholen waar soms naar wordt gerefereerd bestonden helemaal niet. Neem de
Duitse School. In de 16de eeuw bestond Duitsland helemaal niet, dat zijn allemaal
19de eeuwse projecties.
Structureel
Dat
het met onze beleving is mis gelopen stelt ook Simon
Schama in zijn magistraal werk 'Landschap & Herinnering'
(Amsterdam 1995). In een bijna 700 pagina's tellend epos
dat is opgebouwd als een opgraving. Onder ons conventioneel
waarnemingsniveau gaat hij op zoek naar de mythe en de
herinnering die onder het oppervlak verborgen ligt. Hij
stelt bijvoorbeeld dat het 'kathedraalbos' niet een toeristisch
cliché is maar dat achter die gemeenplaats een
lange, rijke en betekenisvolle geschiedenis van associaties
ligt tussen het heidense oerbos met zijn bomenverering,
en de kenmerkende vormen van gotische architectuur. De
evolutie van Noord-Europese boomaanbidding via de christelijke
iconografie van de levensboom en het houten kruis tot
aan de beelden als Caspar David Friederichs uitgesproken
associatie tussen de altijdgroene spar en de architectuur
van de wederopstanding kan esoterisch lijken. Maar in
werkelijkheid leidt zij rechtstreeks naar het wezen van
onze diepste verlangens: de hunkering om in de natuur
troost te vinden voor onze sterfelijkheid.
Op de vraag aan Van Os of hij parallellen ziet in hetgeen hij in de tentoonstelling
Het Russische Landschap wilde overbrengen en het boek ‘Landschap als
herinnering’ van Simon Shama antwoordt hij ontkennend.
“Shama is heel incidenteel, ik probeer iets structureel te veranderen.
In de tentoonstelling zie je de landschapsschilderkunst over een periode van
50 jaar, terwijl Shama slechts incidentele verhalen heeft als voorbeeld, dat
is een stuk makkelijker en zonder consequenties.”
Helemaal
interessant zal het worden als deze tentoonstelling vanaf
eind juni 2004 in The National Gallery in Londen te zien
zal zijn en in het filiaal van de Hermitage een parallelle
tentoonstelling loopt van hetgeen de Russische schilders
konden zien en leren kennen van en over de landschapsschilders
uit West Europa. Rousseau, Millet en alle groten zullen
er te bekijken zijn.
Henk van Os glimlacht bij deze gedachte terwijl hij ons uitlaat, zich verontschuldigend
dat hij een telefoontje moet plegen. Naar Londen.
Michel Lafaille
maart 2004 |