Leren van
het kiekje
De
spectaculaire openingssequentie in de film E.T. van Steven
Spielberg –met de zwaaiende en zoekende zaklampen– wordt
al snel gevolgd door een huiselijke scène in een
eetkeuken. We zien twee jongens en een vrouw, de moeder,
want ze kookt en zet gerechten op tafel. Er is weinig
tekst, tot een van de jongens enthousiast roept dat er
bij de post een ansichtkaart van papa is. Een ansichtkaart
uit Zwitserland. De moeder zegt zacht (tegen zichzelf?):
He hated Switserland.
In deze drie woorden –en de manier waarop ze gezegd worden natuurlijk,
ere wie ere toekomt– zit een volledige roman verscholen. Het getuigt
van een genialiteit van scenariste Melissa Mathison om in één
seconde een volledige situatie te schetsen. De gescheiden vrouw met kinderen,
de vader die met zijn nieuwe vriendin in Europa zit en nu wel die zaken doet
die hij zijn vrouw vroeger niet gunde, de blinde adoratie van de jongens, de
moeder die vastzit in ressentiment en de enthousiaste jongens die voor alles
open staan, waardoor ze later met E.T. in contact kunnen komen. In één
zin van drie woorden wordt bijna een heel leven samengevat. Met andere woorden,
de schrijfster is in staat om ons in een enkele repliek van een van de personages
een gelaagdheid aan te bieden die verwijst naar een complex verleden waar wij
verder geen informatie over krijgen, maar wel de verweven gevolgen in de huidige
context van begrijpen. Het knappe is niet alleen dat de scenariste deze constructie
zo kon bedenken, maar ze ook kon verwerken in de frase van de moeder als een
vanzelfsprekende en natuurlijke reactie die een vrouw in een dergelijke dialoog
zou gebruiken.
Kiek
Diezelfde
korte informatiestoot, diezelfde hevige openheid op het
leven wordt ons gegeven in het kiekje. Het kiekje dat
we kennen van ‘een kiekje nemen’ en ‘kiekjes
maken’. Een interessant detail hierbij is de etymologie
van het woord kiekje. In tegenstelling tot wat velen
denken stamt het woord niet af van het werkwoord kijken
of van een kijkje nemen, maar van de Leidse fotograaf
David Kiek (1811-1899). Volgens het verhaal zou Kiek
telkenmale door dronken studenten zijn wakker gemaakt
die midden in de nacht wilden dat hij foto’s van
hen nam. Hoe meer foto’s men bezat van Kiek (kiekjes
dus), hoe glorieuzer men in aanzien stond. Door de dronken
toestand van de studenten leidde dit natuurlijk niet
tot hoogwaardige portretten. Deze onduidelijke beelden
leken op de gelegenheidfoto’s door amateurs genomen,
en ziedaar, een nieuw woord was in de volksmond geboren.
Soms wordt wel eens het Engelse woord snapshot gebruikt, ter aanduiding van
een snel, uit de losse pols genomen foto. Maar dat is eigenlijk geen kiekje.
Een professionele fotograaf kan wel een snapshot maken, maar geen kiekje. Hij
kan hoogstens een kiekje proberen na te maken, maar daarover straks meer. Het
woord kiekje verwijst dus naar een amateur-foto, of dat wat we ons daarbij
voorstellen.
Het kiekje
Het
echte kiekje heeft verschillend gevarieerde eigenschappen.
Laten we ze even analyseren.
In de eerste plaats komt een kiekje altijd als waarheid over. Het geeft een
ongecompliceerd beeld van een grote onschuld en een eerlijkheid van de mensen
of de dingen op de foto, zoals ze toen in die tijd waren. De tijd dat de foto
gemaakt werd. Kiekjes verwijzen altijd naar het verleden, in tegenstelling
tot de snapshots die door hun heimelijkheid een getuigenis geven van iets wat
schijnbaar nog steeds bestaat, gebeurt of plaats vindt. Snapshots laten iets
zien wat we eigenlijk niet mochten zien, waar we heimelijk naar kijken en waarvan
de mensen of de dingen op de foto ook niet weten dát wij het zien. Maar
zo wel op het kiekje. Deze mensen staan geposeerd voor ons. Met volle overtuiging
en toestemming staan, zitten of liggen ze met hun blik recht in de lens van
de kamera. Let wel, de mensen zijn geposeerd, maar de foto is niet gecomponeerd;
anders was het geen kiekje geworden. Dan was het een foto of een portret; een
stilleven of een landschapszicht. Nu is het een oprechte en pretentieloze opname
van een bepaalde situatie waar de fotograaf bij aanwezig was en op het knopje
drukte. Men voelt bij een kiekje de tegenwoordigheid van diegene die de foto
heeft gemaakt, hij of zij was toen deel van de situatie, alleen even uit beeld,
om zo te zeggen. Na de druk op de knop, al dan niet gepaard gaand met een van
de bekende kreten ‘Lachen’ of ‘Cheese’, zal de fotograaf
weer naar voren lopen, de foto inlopen als het ware en weer deelgenoot worden
van het geheel.
Hierdoor heeft de foto iets échts en daardoor een onschuld en een vertedering.
De mensen op de foto geloven in wat ze zijn, stralen dat althans uit. Maar
zo ook met de dingen of de landschappen. Ze zijn echt, ze moeten bestaan hebben.
Nergens zien we dat de foto bewust vanuit een bepaalde hoek is genomen om iets
te camoufleren of af te snijden. Alles toont zich openlijk. De molen in het
weiland, het kapelletje in de bergen, het restaurant waar we aten, de tuin
van mijn opa. Zullen ze dat over 50 jaar ook over onze kiekjes zeggen? Want
hoeveel kiekjes zullen er dan wel niet zijn? Als we kijken naar al die wandelende
fotografen, met de digitale camera in de hand, hoog boven het hoofd of met
uitgestrekte arm en steelse blik op de viewer, dan moeten dat er miljarden
worden.
Verzamelaars
Deze
foto’s zullen dezelfde onschuldigheid hebben van
de al bestaande beelden. Ze zullen tevens even onwennig
of ongeduldig, onzeker of zenuwachtig gemaakt zijn door
evenzovele amateur-fotografen. Ze zullen even overbelicht,
onscherp en verkeerd gekaderd zijn want de afdrukkers
hebben geen geoefend oog. Het zijn immers geen professionele
kijkers of beslissers –want een foto nemen is gelijk
aan beslissingen nemen–, het zijn daarentegen vastleggers
of verzamelaars. Verzamelaars van momenten, van herinneringen
voor later.
Wat de fotograaf van het kiekje eigenlijk doet, is uitdrukking geven van de
wil om het gegeven en op dat moment bekende subject mee te nemen. Het onderwerp
(de ouders, de klasgenoot, de buurman, de onbekende op een reis, de ober in
het bergcafé) moeten meereizen naar daar waar de kiekjesfotograaf heen
zal gaan, voor de rest van het leven.
Levenslang zullen de onderwerpen meegedragen worden, dikwijls gekoesterd als
tere onderdelen van het verleden welk een bepaling geeft aan het huidige bestaan.
Kiekjes vermaterialiseren het voorbije zonder welk men niet zou zijn wie men
vandaag is. Zoals de populariteit van het stamboomonderzoek als resultaat een
legitimatie verschaft aan het hier zijn, als logisch gevolg van alle voorouders.
Als de genealogie de steiger vormt van het bestaan, zijn de kiekjes de bouwstenen
waaruit het leven is opgetrokken.
Foto
Een
echte of professionele fotograaf daarentegen zal een
foto maken om het gefotografeerde voor altijd buiten
zichzelf te plaatsen. Eenmaal de foto gemaakt, kijkt
hij niet weerom, tenzij de professie erom vraagt.
De beroepsfotograaf vervormt de wereld door op het té juiste moment
af te drukken, door een té scherpe kadrering, door een té juiste
inzoom op of uitsnijding van de realiteit. Men weet nooit wat er zich naast
de foto bevond, of het beeld de hele of een halve waarheid weergeeft. Men denke
hier aan de wereldberoemde foto van het landelijke zandpad welk zich achter
de barakken van Dachau bevond en eigenlijk het pad was naar de gaskamers. De
uitsnede van de foto bepaalde de waarheid.
Een ‘echte’ foto is dientengevolge een nieuwe echtheid, die nog
niet bestond voor de foto genomen werd maar door de keuze van de fotograaf
(een keuze die onherroepelijk bepaald wordt door scholing, vorming, kennis
en cultuur) en door zijn beslissing pas op het moment van afdrukken begint
met existeren.
Foto’s vormen dus geen levens, kiekjes wel. Een foto kan wél vorm
geven aan het leven en dat kan een kiekje weer niet. Een foto kan roeren vanwege
de weergegeven schoonheid of schokken door zijn inhoud of fascineren door zijn
compositie of lijnenspel. Het kiekje getuigt van de waarheid doordat het onderdeel
is van een rijkere collectie.
Tuinen
Is
dat niet hetzelfde wat mensen in tuinen (lees landschappen)
doen? Verzamelen, vastleggen. Dit hebben we daar gekocht,
dat hebben we van die gekregen, dit is over van jouw
verjaardag, deze rustieke bank is van vorige zomer toen
het zo’n mooi weer was. Ja, dat is springzaad,
vonden we leuk maar nu krijgen we het er niet meer uit.
Nee, die coniferen stonden hier al voor wij kwamen en
dat lapje groenten is van onze kleine Jan; die hostas
zijn van oma maar die doen het hier niet.
En is tegenover het kiekje van de amateur-fotograaf, de bedachte en gestileerde
fotografie niet die van de tuinontwerper? Die als een hoffotograaf verschijnt
op afroep, die structureert, analyseert, verbindt met de omgeving, verwijst
naar het verleden van de plek, beslist en dan weer weggaat? Maar die geen kiekjes
kan maken. Hoogstens probeert na te maken, maar dat niet kan. Een meester is
alleen op zoek naar het esthetische en zal daardoor een meesterwerk proberen
achter te laten, waarin voor het vulgaire kiekje geen plaats is gereserveerd.
De tuinbezitter zal, terwijl de meester amper het huis heeft verlaten, zijn
collectie kiekjes te voorschijn halen en kijken hoe hij figuurlijk gesproken,
naast zijn nieuwe echte Van Gogh nog een reproductie van Gauguin kan ophangen,
want er toch nog plaats.
Pleidooi
Daarom
schrijven wij hier de start van het pleidooi voor het
kiekje. Wij pleiten niet voor een hedendaagse cultvorm
zoals te zien in musea en galerijen, waar polaroids tot
enorme formaten opgeblazen een inkijk tonen in het privé-leven
van onbekenden waar men niet zonder gêne naar kan
kijken; waar het kiekje wordt misbruikt om op een Big
Brother-achtige wijze de trivialiteit van het bestaan
te cultiveren. Echter wel het kiekje van de onschuld,
van het meegenomen souvenir welk een extra dimensie geeft
aan de sleur van het dagelijkse leven. Het kiekje van
de oprechte waarheid, de open en eerlijke liefde van
de mens voor iets wat niet van hem is maar hij toch een
plaats in zijn leven wil geven. De duiven van het San
Marcoplein, de kleuren van Toscane, het zilver van de
olijfbomen van Marjorca, het terras uit Umbrië,
de geur van de Provence, het gras uit Friesland. Maar
zo ook de verdwenen tuin van oma, de seringen van de
voormalige pastorietuin, de luiheid van de dorpstuin,
het avontuurlijke van de stadsrand, de rust van een weiland.
Een betoog voor een visuele neerslag van de herinneringen, niet uit puur esthetisch
genot, maar als broedplaats van de geschiedenis. De eigen geschiedenis waarin
de tuinbezitter zich kan herkennen en terug kan vinden. Een pleitrede waarin
de tuinontwerper een tuin maakt die moet meeverhuizen met de eigenaar, omdat
die er onlosmakelijk mee verbonden is. Help de kiekjesbezitter zijn herinneringen
vorm te geven in de tuin, in plaats van hem glanzende, Kodachrome, onberispelijk
uitgevoerde fotografie aan te bieden die hij slechts vanuit cultuurdrang en
cultus tot zich zal kunnen nemen.
Iedereen kan immers fotograferen, iedereen moet fotograferen, het kiekje is
van iedereen.
Michel Lafaille
februari 2004 |