Het gesprek
Een ontwerp moet gezag
hebben
Boven
het IJ in Amsterdam Noord hangt het zonlicht. Het lijkt
overal vandaan te komen en terug te schieten. Wat een
plek om een kantoor te hebben. Lodewijk Baljon wordt
op de afgesproken tijd door een medewerker van de telefoon
gehaald, legt zijn notities voor zich en begint te praten
alsof de eerste vragen al gesteld zijn. Mijn voorbereiding
was overbodig, daar zorgt hij zelf voor.
Mijn eerste kennismaking met Lodewijk Baljon was als student via zijn boek ’Designing
Parcs’. Ik hoorde voor het eerst over hem van wijlen Guus Kemme (Architectura & Natura)
die Baljons kennis over Jacques Wirtz en de Tuileries roemde. Baljon moest
een lezing geven in het Louvre over de renovatie van de Tuileries in relatie
tot de actuele parkontwikkelingen in Parijs. Bij een spreekbeurt op het Ministerie
van VROM zag ik hem voor het eerst. Hij wist niet goed waar hij voor was gevraagd,
toverde een serie dia’s tevoorschijn en praatte vervolgens twee uur.
Op het ‘Landschapsboekenbal’ van de Nederlandse Vereniging voor
Tuin- en Landschapsarchitectuur (NVTL) sprak ik voor het eerst met hem. Over
kunst en cultuur en wat er zoal motiveert. In 2001 organiseerden wij samen
met Paul van Beek, Hanneke Toes en John van Veelen het Jaarthema ‘Werklandschappen’ voor
de NVTL en het Ministerie Economische Zaken. In 2002 vroeg ik hem in de reeks
Larenstein Lezingen te Velp te spreken over een Grootmeester. Hij koos de Braziliaanse
architect Burle Marx en wist met eigen beelden twee uur het publiek te boeien.
Dit om u een beeld te geven van zijn kennis en verscheidenheid. Baljon heeft
een eigen landschapsarchitectenbureau te Amsterdam met zes medewerkers. Een
ontwerp van dit bureau is uitgekozen om op het Tuinenfestival 2003 van Chaumont
aangelegd te worden.
Ik hoop u door een neerslag van zijn woorden een beeld te geven van een man
die vanuit een ijzeren discipline met zijn vakgebied bezig is. Een mondaine
man die smaak en élégance uitstraalt. Een man ook die net als
Lance Armstrong de kunst van het wachten verstaat om vervolgens in een discussie
op het juiste moment het enige juiste te zeggen. Maar vandaag spreekt hij voluit,
in een monoloog, een retorica over de bezieling die voor hem onlosmakelijk
bij de architectuur hoort.
Differentiatie
Opdrachtgevers
schakelen landschapsontwerpers in voor het groen. Als
daarmee alleen een ongedifferentieerde, groene stoffering
wordt bedoeld is dat schadelijk voor een goede uitoefening
van ons vak.
In de jaren zeventig werd er hoofdzakelijk vanuit gegaan dat nieuwe wijken
vooral groen moesten zijn. Dat is er inderdaad als ongedifferentieerd groen
ingegaan. Als opvulling in allerlei hoeken en gaten. De beheerders zitten nu
met grote problemen hoe ze nu met al die kleine stukjes om moeten gaan. Dat
is één aspect. Daar komt nog bij dat het groen inheems moest
zijn. Dat is net als met potjes verf, waarvan je de restjes bij elkaar gooit,
het wordt één vieze bruingrijzige drab en zo is dat eigenlijk
ook met dat groen. Groen kan dus een onaangenaam aspect krijgen, als alles
door elkaar gemengd is en het geen gearticuleerd beeld oplevert. Bovendien
zijn die plekken meestal te krap om de natuur de kans te geven zich te ontwikkelen.
Het is dus hard nodig dat er differentiatie komt in het groen en daarin kun
je twee kanten op. De ene kant is dat het naar een veel grotere schaal toegroeit,
dingen robuust laat zijn, tegen een stootje kunnen en ook een zekere natuurkwaliteit
krijgen. De ecologische processen kunnen daar een plek in krijgen. Het gaat
immers niet alleen om de planten, maar ook om de beestjes en het hele waterhuishoudingssysteem
dat ons uiteindelijk moet behoeden van ernstige overstromingen of juist uitdrogingen.
Dat is interessant en daar werken we op het bureau ook aan.
Aan de andere kant dienen er veredelde plekken te zijn, beperkte plekken waar
iets bijzonders gebeurt. Het resultaat is dat er verschillen ontstaan die iets
met elkaar doen: het grove groen, ruim water, flinke beplantingen en het dierenleven
dat daarbij hoort tegenover kleiner verfijnde plekken die meer tuinachtig zijn.
Als ik het over een tuin heb, dan is het een breder item dan uitsluitend de
particuliere tuin. Tuinen zijn ook de ruimten tussen gebouwen, heel verzorgd,
precies en natuurlijk tot in de hoogste graad gecultiveerd. Zodoende is er
groen, en dus landschapsarchitectuur, aan beide uiteinden van het spectrum.
Eigenlijk moet daar niet teveel tussen zitten, want anders krijgen we weer
zo´n ongedifferentieerde mengeling .
Schaalverschil
Als
je tegelijkertijd op die beide schalen werkt dan kún
je het ook bedenken. Werk je uitsluitend in tuinen, dan
zul je niet zo gauw bedenken dat je het onderscheid naar
schaal en objecten moet maken. Houdt het grote groot
en maak het kleine beperkt en verfijnd. Dat is eigenlijk
de kern van de boodschap.
Er zijn meer mensen mee bezig, zoals Dirk Sijmons die sprak over de groene
briefjes van 1000 gulden, de natuur op grote schaal in West-Nederland. De plekken
waar de briefjes van 1000 zitten, die mocht je vooral niet verscheuren, niet
kleiner maken. Dan werkt het niet meer. Ik denk dat dit ook op het niveau van
stadsuitbreidingen en stedelijke structuren geldt. Op een gegeven moment mag
het groen niet verder versnipperen, want dan is het niks meer. Grote stukken
en hele kleine. Niet te veel in het midden.
Het eigenaardige is, zeker in het verleden, dat het grootste deel van de vakbeoefenaars
juist op het middenniveau werkt. De gemeentelijk plantsoenendiensten krijgen
zelden de kans om iets heel groots te maken. En op kleinere schaal iets veredeld
te maken is ze ook weer niet gegund. Dat is dan weer te duur in aanleg en onderhoud.
Maar er werd ook niet gezegd: “Maak dan maar iets heel kleins, dan kunnen
we het wel heel goed maken en toch betaalbaar houden”.
Contrast
Op
die manier ontstaan boeiende contrasten. Op het moment
blijkt dat één van de lastigste dingen
om te realiseren. Kijk, 30 woningen per hectare is een
dichtheid waarbij je niet stedelijk woont en niet landelijk.
Je hebt dan een tuin die te klein is als je van tuinieren
houdt. En ook als je alleen maar in de tuin wilt zitten,
dan zit je op buurmans lip.
Dus als het om wonen met een tuin gaat, maak dat dan ook van voldoende maat.
Houdt de woning dichtheid laag . Uiteindelijk wordt toch door projectontwikkelaars
een middenweg gekozen. Die grote kavels worden toch wel erg duur, zeggen ze
dan, daar is geen markt voor. Want op zulke grote kavels zetten ze altijd dure
huizen. Vervolgens wordt er voor gekozen de huizen toch maar weer wat dichter
naar elkaar toe te schuiven. In de tuinen is geen ruimte meer om flinke bomen
te planten, de straat staat vol met auto’s. Nergens ontstaat meer een
karakteristieke woonomgeving .
Dat komt omdat niemand uitgesproken het één of het ander durft
te kiezen.
Dat mikken op de meest brede doelgroep frustreert natuurlijk het streven naar
verschillen, het streven naar contrasten. Maar in de woonomgeving moet je de
mensen het één of het ander bieden.
We krijgen wel eens de kans, zoals momenteel in Den Bosch, waar wij in de Vinexwijk
de Groote Wielen een park ontwerpen. Maar dan wel een park dat plaats biedt
aan vijfhonderd appartementen. Wij hebben dat uitgerekend en het blijkt dat
het park de hoogste woningdichtheid heeft van de hele wijk. Dat kan wel, mits
je het wonen en het parkeren slim ontwerpt en men beslist aan bepaalde uitgangspunten
vasthoudt. Zo staan de wooncomplexen op een terp met daar in de parkeerplaatsen,
maar dan ook echt alle, inclusief het bezoek.
Specialisatie
Wij
doen als bureau grootschalige en heel kleinschalige dingen.
Wij doen abstracte en concrete zaken. We ontwerpen, we
onderzoeken en er is een reeks van publicaties geschreven.
Wij hebben het gevoel dat je dat allemaal moet doen om
een goede landschapsarchitect te zijn, om een goed bureau
voor landschapsarchitectuur te zijn.
Kijk, deze wereld is heel gespecialiseerd geraakt. Je gaat niet zomaar naar
een advocaat, maar je moet naar iemand die in jouw probleem gespecialiseerd
is. Een algemene praktijk bestaat niet en dat geldt voor bijna alles in de
wereld, ook in de landschapsarchitectuur. Er zijn mensen die ontwerpen tuinen
en je hebt mensen die doen het grotere werk. Men is actief in het landelijke
gebied of in het stedelijke gebied. Wij hebben het idee dat alles zo gespecialiseerd
is, dat het niet specialiseren, juist datgene waar wij in opereren, ook weer
een specialisatie is. Ik wil niet zeggen dat wij daar uniek in zijn, maar het
is wel van begin af aan mijn keuze geweest. Eigenlijk vanaf het moment na mijn
studie, toen ik aan het promotieonderzoek over het parkontwerpen begon. Ik
dacht: Als ik mij vier jaar lang begraven in het wetenschappelijk onderzoek,
dan wil ik daarnaast echt praktische dingen doen. Dat was ook handig, want
een tuinopdracht kun je goed in je eentje maken. Dat voegde zich makkelijk
in de onderzoekswerkzaamheden.Maar het was ook een nadrukkelijke behoefte:
aan de ene kant diepgravend theoretisch onderzoek doen en aan de andere kant
gewoon plantjes in de grond duwen en zien hoe die zich ontwikkelen.
Onderzoek
Het
ligt eraan hoe je zelf je vak wilt uitoefenen. Ik vind,
en de mensen op mijn bureau ook, het vak pas interessant
als wij bij elke opdracht iets nieuws ontwikkelen. Niet
het wiel opnieuw uitvinden, dat is onzin, maar wel elke
keer het gevoel krijgen dat we het vakgebied, weer een
stapje verder brengen. Een ontwerp is een resultante
van een zoekproces.
Een onderzoekende instelling, die krijg je niet cadeau. Wij kunnen daar alleen
maar goed aan tegemoet komen doordat we uiteenlopende opdrachten hebben. Iemand
die uitsluitend tuinen maakt, kan op het niveau van de levende materialen waarschijnlijk
verder komen dan wij in ons onderzoek. Daarvoor ontwerpen wij te weinig tuinen.
Maar in het denken over wat de tuin als object is –in het totale beeld
van verstedelijking van West-Europa– daar komt men misschien niet aan
toe. Dat hoeft ook niet. Ieder zijn vak. Daarom vinden wij het interessant
om bijvoorbeeld te lezen over tuinontwerpers die uit het plantenvak voortkomen,
waar Piet Oudolf op het ogenblik de duidelijkste exponent van is. Hij ontwerpt
vanuit een buitengewoon grote kennis van planten, vanuit het omgaan met planten,
daarmee exerceren en en combinaties maken.
Ontwikkeling
Als
iemand zich vanuit zo´n belangstelling en zo´n
manier van werken, zich ontwikkelt tot een belangrijk
tuinontwerper, kan hij bijvoorbeeld aantonen dat je met
vaste planten in openbare ruimten, in parken, ook iets
kunt. Dergelijke beplantingen zijn door de plantsoenendiensten
afgeschreven als te ingewikkeld en te duur. Oudolf heeft
aangetoond dat het toch kan, mits je dat met de juiste
planten op de juiste manier doet.
Het is een inspirerende ontwikkeling in het vak. Dat we met planten beelden
kunnen maken die een hoge graad van verfijning hebben. Mits men het materiaal
perfect beheerst, is het ook in de openbare ruimte nog te beheren. Daar krijgt
Oudolf nu de ruimte voor, in Chicago, Enköping en New York.
Het is belangrijk dat in een park die rijkdom wordt getoond. Kijk in Parc André Citroën
in Parijs, daar zitten echte tuinen in. Zo verfijnd, zo prachtig, zo humaan
en zo bijzonder in de omgang met planten.
Chaumont-sur-Loire
Het
tuinenfestival in Chaumont is voor ons ook een mogelijkheid
voor experiment. Een tuin van 200 m², het thema
Onkruid en maak maar met een aardig voorstel dat komende
zomer 150.000 bezoekers zal boeien. Verder geen programma,
geen wetten en praktische bezwaren en geen projectgroep.
Niet dat wij opdrachtgevers vervelend vinden, want zonder
opdrachtgevers kunnen we niets doen. Niet alleen in financiële
zin, maar ook niet in inhoudelijke zin. Toch is het ook
wel eens aardig om het alleen voor het zeggen te hebben.
Gelukkig was er een thema dat ons bijzonder aantrok:
Onkruid, dat heeft duidelijk met tuinen te maken, met
de basis van onze omgang met planten. We zijn jaloers
op onkruid omdat het zo hard groeit en overal komt zonder
dat we er iets aan hoeven te doen; dus schoffelen we
dat maar weg. De schoffel is het instrument waarmee we
het onkruid bestrijden, dus hebben we een woud van schoffels
gemaakt met langs de randen olifantsgras en groot hoefblad,
explosief groeiende planten. 186 schoffels, 3 meter hoog,
recht overeind en allemaal met een apart kleurtje waar
tussen men zich kan begeven. Naarmate men dichter bij
het doel komt, een kristallijnen vorm van spiegels waarin
een plastic geranium zich eindeloos herhaalt, staan de
schoffels dichter op elkaar. Men duwt er tegenaan en
de schoffels buigen iets opzij en komen langzaam weer
terug. Af en toe slaan die bladen tegen elkaar aan en
maken een klinkend geluid. De tuin gaat niet alleen over
de omgang met onkruid, maar is ook een fysieke ervaring.
Ons visie op het thema zit erin, maar het is ook gewoon
aardig om er in te gaan en je over die spiegels te buigen
en de plastic geranium te zien. Die combinatie is kenmerkend
voor hoe we hier op het bureau werken.
Het goede van festivals is de mogelijkheid om commentaar op het fenomeen ´tuinen´ te
geven.
Gezag
Het is in Chaumont opmerkelijk dat iedereen er plezier
in heeft. Men stond klaar om ons te helpen het idee zo
sterk mogelijk tot uitvoering te brengen. Een fundamenteel
probleem waar de meeste ontwerpers mee worden geconfronteerd
is het uitgebreide leger van partijen die zich met het
plan bemoeien. Iedereen vindt natuurlijk het aspect waar
hij of zij voor staat het belangrijkste. Ze vinden dat
het plan daar gerust kwalitatief ondergeschikt aan gemaakt
kan worden. Dat is al een probleem, maar bovendien realiseren
zij zich niet dat wij als ontwerpers door de opdrachtgever
op deze plek zijn gezet om een plan te ontwerpen en dat
zij er zijn om te zorgen dat het plan gerealiseerd wordt.
Natuurlijk is er ook het veiligheidsaspect of het onderhoudsaspect maar dat
betekent niet dat je zegt “Strooizout... geen bomen”. Nee, dan
moet je zeggen “Strooizout... hoe kunnen we zorgen dat het zout niet
bij die bomen komt en als er toch nog wat komt, welke boom nemen we dan”.
Iedereen moet zich in dienst van het ontwerp stellen. Men denkt dan dat men
zich dan in dienst stelt van de ontwerper als persoon, maar dat is een misvatting.
Wij zijn als ontwerper aangesteld om het ontwerp te maken en zij zijn er als
verkeerskundige, beheerder of brandweer om te zorgen dat het ontwerp werkelijkheid
wordt. Zij moeten loyaal zijn aan het plan.
Daarom is het bij complexe processen goed een supervisor aan te stellen. De
supervisor bewaakt het ontwerp in het hele proces en verleent het gezag. Eigenlijk
moet het ontwerp zelf al gezag hebben.
Michel Lafaille
mei 2003 |