De muur
We
kunnen de muur op twee manieren ervaren: negatief, als
scheidend element of positief als samenbrenger van verschillen.
In de negatieve versie is men aan de ene kant van de muur binnen en wil men
naar buiten; langs de andere kant is men buiten en wil men naar binnen. Dat
wil dus zeggen dat de muur per definitie in de weg staat.
Volgens Van Dale is een muur een rechtopstaand metselwerk van zekere hoogte
en lengte, gewoonlijk dienend tot afsluiting en omsluiting, ook wel tot grondkering.
Maar deze laatste telt eigenlijk niet mee. De keermuur staat tot de echte muur
zoals de middeleeuwen tot de Nano Age. De keermuur heeft alleen maar een taak,
hij moet keren. Dat past eigenlijk niet bij een muur. Keren is negatief, betekent
omdraaien, rechtsomkeren, teruggaan. Zo moeten we de muur niet behandelen.
Van het kastje naar de muur sturen, dat is toch niks, dat kun je iemand niet
aandoen. Het is verkeerd om de muur negatief te zien en dat doen we maar al
te vaak. Met de kop tegen de muur lopen, met de rug tegen de muur staan, uit
de muur eten, een blinde muur... .zeg nou zelf.
De
enige uitzondering daarop is de keerdam, de stuwdam,
de barrage. Dat is pas een echte muur. Daar kun je zelfs
op lopen. Hij vergroot zichzelf in een majesteitelijk
'da sein' en het wonderbaarlijke is dat hij door zijn
onverbiddelijkheid juist zo kwetsbaar is. Tegelijkertijd
brengt hij de kijker of betreder juist dichter bij de
dingen. Bij de diepte, bij het water, bij de afgrond,
bij het vallen, bij de hemel. Als een echte muur verbindt
hij alle elementen rondom zich en wordt een centrum.
Dat is positief en zo dient een muur te zijn. Op die
manier en in alle afgeleiden daarvan heeft de muur betekenis.
Hij krijgt een eigen existentie.
Een
mooi voorbeeld is de aloude slangenmuur die gebruikt
werd in kloosters en landgoederen om met zijn golvende
beweging de zon en de warmte langer vast te houden en
zo bepaalde fruitsoorten meer kans op goede vrucht te
geven. Zo kreeg de muur naast zijn sierlijke presentie
voor het eerst een extra functie.
Veel muren zijn hun karakteristieke eigenschappen van weleer ontstegen. Andere
materialen werden gebruikt, de structuren veranderden, de kleur werd toegevoegd.
Opvallend hierin zijn de Mexicanen, met architect Luis Barragan als grootmeester.
Bij hem is de muur niet langer alleen een element maar is de muur een thema
geworden. Barragan verbond de Mexicaanse moedertraditie met de experimentele
moderne beweging. Hij vond dat de mens in de buitenruimte muren nodig had als
geborgenheid. Daarnaast gebruikte hij de muur om het zonnelicht te vangen of
om er schaduwen op te laten spelen. De muur als stilleven was geboren.
De
beschermende werking van de muur komt ook naar voren
in de omsloten tuin, de hortus conclusus. Muren verkleinen
de maat van de ruimte en krijgen daardoor een meerwaarde
op het louter afsluiten of omsluiten. De muur voegt een
dimensie toe. Deze waarde is al vanaf de middeleeuwen
benut in het ontwerp. Tegelijk geven deze muren een verbondenheid
met het landschap, doordat binnen de muren een verkleining,
een miniatuur van landschap en natuur geschapen wordt.
De verticale as op de hemel wordt een spiegel; meditatie
en contemplatie doen hun intrede. Ook in de Japanse en
de Zen tuinen wordt dit principe gehanteerd.
De
Japanse architect Tadao Ando trekt dit beginsel vandaag
door in zijn werk. In het Duitse Weil am Rhein heeft
hij voor het Vitra Design Museum een gebouw ontworpen
naast dat van de Amerikaanse architect Frank O. Gehry.
Ando wilde alleen maar ontwerpen op een door hem zelf
uitgekozen plek. Dat werd een bestaande boomgaard, waar
hij slechts twee bomen weghaalde. Doorheen de boomgaard
bouwde hij een muur, die een soort tuin aangeeft rondom
zijn gebouw. Het smalle toegangspad loopt pal langs de
muur, omdat Ando van de bezoekers een bewuste toenadering
eist. De muur is een overgang van de buitenruimte naar
het gebouw. Achter elkaar aan lopend (dus zwijgend) mag
men nader treden.
De muur staat hier als een object in het landschap, verdeelt en benadrukt tegelijk.
De maat van de boomgaard verkleint tot tuin en de achterliggende bergen vergroten
tot een landschap. De muur verbindt beide tot één geheel.
Natuurlijk
heeft de muur an sich ook expressie. In zijn
eigen bestaan wil hij uniek zijn. De muur als vertegenwoordiger
van een voorbije wereld. Dan gaat hij ons verhalen vertellen.
Over de bewoners, over het huis dat hier gestaan heeft,
over de tijd, over de vergankelijkheid. De muur is dan
in staat om de dingen van weleer nog vast te houden terwijl
de historie allang voorbij is. Die muren beschikken over
narratieve zeggingskracht. Ze zijn een relict, de vertegenwoordigers
van een verleden. Soms worden ze zelfs een decor en waant
men zich in een Franse impressionistische film. Het is
opvallend hoeveel muren er in videoclips voorkomen. En
waar zou Orson Welles geweest zijn zonder zijn muren.
In The Third Man stapt hij als het ware uit een muur
tevoorschijn.
Dan zijn er de gesloten muren. Met of zonder ramen, ze zwijgen. Er is geen
communicatie over en weer tussen binnen en buiten, deze muren ontkennen de
andere kant. Ondanks dat blijven zij muur en mogen ze niet verward worden met
de niet-muur. Die zijn overbodig en worden door de mens verstopt tot welzijn
van de klimop. Het is een beschamende vertoning, een non-creatie.
Een
muur moet dus niet scheiden maar bij elkaar brengen.
Een muur moet de wereld juist groter maken. Iedere goede
muur heeft een filmisch vermogen.
Michel Lafaille
april 2003 |