Nils Udo : Efemere Celebraties
De viering van het voorbijgaande
Efemeer
betekent slechts één dag durend, slechts één
keer gebeurend. Eendagsvliegjes zijn efemeriden. De beelden
die u ziet zijn efemeer. Het zijn beelden van Nils Udo.
Ze bestonden slechts even, ze zijn alweer verdwenen.
Maar ze bejubelen tegelijk een oneindigheid. Veelal drukken
zij een oneindige traagheid uit. Alsof ze de tijd die
hun is gegeven willen rekken. Want de realiteit in de
beelden is niet echt maar gemaakt. Gemaakt met een oneindig
geduld en respect voor een nieuwe orde. Het geduld van
Nils Udo, waarmee hij de beelden maakt. De orde van Nils
Udo, waarmee hij een nieuwe wereld schept. Van Natuur
naar Kunst terug naar Natuur. Van het gegevene naar het
gemaakte naar het nieuwe gegevene. Er straalt een bijna
bovennatuurlijke orde uit zijn werken. Men beschouwt
en bespiegelt ze meer dan men ze bekijkt. Ze neigen naar
iets religieus terwijl niets eraan magisch of godsdienstig
is. Hélène Gugenheim spreekt van beelden
die zich gedragen als het wonderbaarlijke omdat ze getuigen
van een zekerheid, de mogelijkheid om ze te bezitten.
Het werk van Nils Udo wordt niet alleen geboren uit interventies van de kunstenaar
in of op het landschap. Het is een dialoog; een uitwisseling. Het is noch de
natuur in zichzelf, noch het gebaar van de inmenging op zichzelf. Het is de
samenwerking; de interactie.
Het is de kracht van de duizenden frêle bloemetjes van het Vingerhoedskruid
welke hij tot een slang verweeft over een kromgegroeide wilgentak. Het zijn
de ontelbare rode bessen van de Sorbus die als een mobiel tapijt dienen voor
de kruiperige klimop. Alleen het beeld al van een man die urenlang tot zijn
knieën in het water staat of op een ladder met een oude zinken emmer lijsterbessen
staat te plukken lijkt inspiratie genoeg.
Samuel
Beckett schreef in Molloy “Het is de taak van
objecten om de stilte te herstellen”. Shakespeare
liet Hamlet zeggen “The rest is silence”.
John Cage componeerde het stuk 4’33’’ dat
uit vier minuten en drieëndertig seconden stilte
bestaat. Het is deze ‘onschuldige’ stilte
die ook is terug te vinden in het werk van Nils Udo.
Het is een stilte waar we enkel en alleen onszelf nog
horen.
Nils
Udo begint als 19-jarige te reizen. Hij reist veel en
komt in aanraking met andere culturen. Hij woont een
jaar in Perzië. Op zijn 23ste vestigt hij zich als
schilder in Parijs. In 1972, besluit hij te stoppen met
schilderen. Hij is teruggekeerd in Beieren waar hij is
geboren. “Ik wist niet meer hoe te schilderen,
wat te schilderen of waarom te schilderen. Want schilderen
had te maken met natuur in een artificiële vorm.
Ik wou dichter naar de bron.” Vanaf dat moment
begon hij plaatseigene werken te maken vanuit de natuur
op locaties doorheen heel Europa. “Het is de
locatie van mijn werk die mij inspireert. Ik begin nooit
met een concept maar ik reageer op hetgeen mij raakt
als ik ter plaatse kom”.
In zijn eigen artistiek statement: Towards Nature, omschrijft hij zijn werk
zeer poëtisch: “Schetsen met bloemen, schilderen met wolken,
schrijven met water. Speuren naar de meiwind, de loop van een gevallen blad.
Werken voor een donderstorm. Wachten op een gletsjer. De wind vastbinden...”.
Zijn beeld van de medemens is niet hoopvol: “Het is duidelijk dat
natuur alleen in haar laatste toevluchtsoorden nog intact is, on-ontsnapbaar;
het is alleen daar dat een kennismaking nog een realiteit is. Op elke dag van
het jaar, in elk seizoen, in elk licht, in alle weer; in het Grootste en in
het Kleinste. Maar dezer dagen zijn mensen niet meer geïnteresseerd in
zoiets. Natuur is niet langer een onderwerp, behalve voor enkele Groenen, die
meestal het verschil niet eens kennen tussen een lindeboom en een berk. Natuurlijk
zijn er velen die beweren natuur lief te hebben. Zoals diegenen die vragen
om vrede. Feit is echter dat zij de natuur lang geleden verloren zijn. Zij
zien het niet meer, laat staan horen, ruiken, voelen of proeven. Als zij kijken,
zien ze niet: zij hebben het prealabele lang geleden verruild voor een soort
groter, expansiever en transitoir overzichtsbeeld.”
Daarom pleit hij voor de absolute puurheid. Ieder niet natuurlijk element wordt
verbannen. Geen andere materialen dan die welke worden gevonden in de natuurlijke
ruimte. De karakteristieken, de respectievelijke mogelijkheden voor een ontwikkelingsgang
en het kenmerkende van de plaats zelf, spelen de hoofdrol in de determinatie
van de schaal van het werk.
Planten zoeken, verzamelen, beheren en tentoonstellen: de overweldigende rijkdom
en overvloed van natuurlijke fenomenen kan dikwijls alleen worden gerangschikt
als kleine of meest minuscule fragmenten van hun natuurlijke structuren.
Ten tweede is er het element van de tijd. Door met planten te werken of ze
te integreren in meer complexe installaties, wordt het werk letterlijk ingeplant
in natuur en als een deel van natuur leeft het en gaat het op in de seizoenen.
“Al werk ik parallel met natuur en creëer ik mijn interventies
met alle denkbare zorg en voorzichtigheid, schrijft Nils Udo, dan nog
zullen zij altijd in fundamentele contradictie blijven met zichzelf.
Op deze contradictie is al mijn werk gebaseerd. Maar zelfs dit kan één
fundamentele verschrikking van ons bestaan niet vermijden. Het verwerpt
waar het juist de aandacht op richt, wat het aanraakt: de maagdelijkheid
van natuur”.
Michel Lafaille
maart 2003 |