Enkele teksten:
 Una giornata particolare a Lago di Como (Aprile 2005)
 La couleur n' existe pas... (Décembre 2004)
 Die Trägheit Mallorcas (August 2004)
 The quest for beauty (December 2003)

 

Daar is zij dan, de openbare ruimte (september 2006)
De groene reuzen van Brussel (maart 2006)
Drie musea van Frank O. Gehry (dec 2005)
Het geheim van het bosje (mei 2005)
Una giornata particolare a Lago di Como (april 2005)
A van Antwerpen (mei 2004)
De Wirtz familie (mei 2004)
Stad van Trouvailles (mei 2004)
De onschuld van de rivier (mei 2004)
De romantiek overleeft (mei 2004)
De Waal (april 2004)
Santhagens in Amsterdam: Pictures at an Exhibition (maart 2004)
Het dogma van het perspectief (maart 2004)
Henk van Os - Het Russische Landschap (maart 2004)
De straat (maart 2004)
De kunst van het reizen (februari 2004)
Parc Georges Brassens (februari 2004)
Leren van het kiekje (februari 2004)
Het sprookje (februari 2004)
De zitplek (februari 2004)
B van Barcelona (februari 2004)
De tederheid: New York (januari 2004)
Tijd & Ruimte: Het Loo (december 2003)
De queeste voor schoonheid (december 2003)
De andere kant van het meer (juni 2003)
De lijn (juni 2003)
Lodewijk Baljon (mei 2003)
Starck in Parijs... een knock-out (april 2003)
De muur (april 2003)
50 Ways to meet Madrid (april 2003)
Nils Udo (maart 2003)
Over beleven (maart 2003)
De trap (februari 2003)

Reflecties in een parkje
Daar is zij dan, de openbare ruimte

Leven wij nog steeds in een 19de eeuwse droom, toen de Europese landschapsschilders begonnen met ook de stad in hun romantisering te betrekken en de parken en plantsoenen een eeuwigheidswaarde kregen op hun doeken? De rivierkade, de wandelallee, de kermis, het achterlangspaadje, het vergeten standbeeld, de muziekkiosk... het werden iconen van een verstilde wereld waar verliefden prettig met elkaar konden promeneren onder gekleurde parasols en hoge hoeden. Of leven wij nog steeds in een andere 19de eeuwse droom waarin stedenbouwers de stad zodanig probeerden te organiseren dat alle activiteit erin onder controle te houden was? Waarin de openbare ruimte een oord van culturele onderworpenheid werd, waarin de beschaving hoogtij vierde en iedereen zijn gedrag en zijn uitingen moest aanpassen aan hetgeen mocht of niet mocht. Uitbundig plezier maken, roepen en schreeuwen, wildplassen, elkaar openlijk versieren... het ging allemaal in de ban van de zedenloosheid waarvoor in de openbare ruimte geen plaats was. Want het milieu van de openbare ruimte is een oord van beschaving, wie daar vertoeft dient zich te gedragen volgens de code van de stedelijke omgangsvormen.

Vandaag kunnen we in het kleinste straatje van het kleinste dorpje van het land naar alle waarschijnlijkheid een speeltuintje vinden met kort gemaaid gras, een zitbank met vuilnisbakje, een klimtoestel en een wipkip. Er is daar plaats om te zitten zonder te betalen, een meegebrachte boterham te eten, het lege zakje in de vuilnisbak te gooien, op te staan, rond te lopen, weer te gaan zitten, na te denken, weer op te staan en weg te lopen. Dit is wat in het hedendaagse jargon ‘openbare ruimte’ wordt genoemd.

Publieke ruimte

De benaming openbaar is ietwat misleidend en heeft een negatieve associatie. Het doet denken aan toiletten, aan een aanklager, aan zedeloos gedrag, aan een vergadering of een aanbesteding. De openbare weg, dat gaat nog, maar de openbare ruimte... wat is dat?
Bij het begin van dit artikel is het goed om onderscheid te maken tussen openbaarheid in ruimtelijk fysieke zin en niet-ruimtelijke virtuele zin. We zullen de niet-ruimtelijke buiten beschouwing laten, zoals internet, communicatiemedia en abstracte krachten op politiek of economisch gebied, alhoewel er auteurs zijn die beweren dat de openbaarheid alleen nog in de abstracte betekenis van het woord bestaat. We beperken ons tot de fysieke ruimte.
De Amerikanen hebben er een mooiere term voor, zij spreken over public space, de publieke ruimte. Misschien geeft dat een betere aanduiding voor wat het eigenlijk is, de plaats waar een publiek elkaar kan, zal of moet treffen en ontmoeten. Hierin schuilt al een eerste karakteristiek voor het begrip openbare ruimte, namelijk dat er publiek moet zijn, de gebruikers van die ruimte. Dat kunnen passanten zijn die toevalligerwijze voorbijkomen of mensen die zich ter plekke even komen verpozen. Een plaats zonder publiek kan nooit een publieke ruimte worden. Toch kent de hedendaagse stedenbouw een massa plekken die wel degelijk als openbare ruimte worden aangeduid maar waar zelden of nooit een publiek gesignaleerd wordt. Ontwerpers hebben dan geen exploratie van de tijd gemaakt voor die plek. Architect/stedenbouwer/filosoof Rem Koolhaas werkt veel met dit procédé voor zijn plannen. Voor een markt van de stad Yokohama in Japan maakte hij tijdsindelingen van de plaats, en ontdekte zo pieken en dalen in de dag. Hij veranderde zijn ontwerp op een zodanige wijze dat een nieuw programma ontstond, waardoor enerzijds het forum 24 uur per dag gebruikt zou worden (inclusief de zondag) en anderzijds een sociaal veilig milieu ontstond. Maar al te dikwijls worden pleinen of andere openbare ruimtes ontworpen voor slechts een fragment van de dag, omdat het opgelegde programma van eisen slecht of te krap is gesteld. Ook daar ligt een taak voor de ontwerper, de beweging en het leven over de nacht heen te tillen.

Stad

Het meeste publiek is te vinden in de stad, daar zal dan ook het duidelijkst sprake zijn van publieke ruimte. De Duitse socioloog Max Weber stelt dat de stad twee bijzondere kenmerken heeft: de omvang van de nederzetting en het onderling verkeer tussen mensen die elkaar niet kennen maar handelen binnen een formele reglementering met vrijheid van handelen binnen deze regels en door een in principe vrije toegankelijkheid voor anderen. Dat is al de tweede karakteristiek voor het begrip van de openbare ruimte. Men ontmoet elkaar en kent elkaar niet.
De meest recente cijfers van de Verenigde Naties geven aan dat in het jaar 2006 voor het eerst net iets meer dan de helft van de wereldbevolking in een stad woont. Dat was in 1800 nog slechts 2 procent, in 1900 was het 15 procent, en in 1975 al 38 procent. In de wereld zijn momenteel 408 miljoenensteden, met Tokio als absolute top die 35,5 miljoen mensen herbergt. Vele miljoenen zijn naar de stad gekomen om werk en een beter leven te vinden, het landelijk gebied heeft hen niets meer te bieden. Die gigantische organisaties dienen een structuur te bezitten om alles goed te laten functioneren. Als de twee grootste problemen van vandaag, worden door de Rijksplanologische Dienst de grote en hardnekkige werkeloosheid en de recentelijk steeds vaker gesignaleerde vorming van probleemgebieden, bewoond door een onbemiddelde en in sociaal isolement verkerende bevolking, genoemd.
Dit geloof wordt echter niet door iedereen gedeeld. Veel deskundigen zien de stad slechts als decor waartegen betreffende problematiek zich afspeelt. Voor hen leveren ingrepen in deze ruimtelijke context (de stad als plek en decor) dan ook volstrekt geen bijdrage aan het oplossen van genoemde problemen. Dit geloof geeft al aan dat betreffende deskundigen de stad als iets buiten de mens om zien. Maar nog wel als een te maken decor, waarin dan de publieke ruimte van de buitenwereld wel degelijk ‘ontworpen’ dient te worden.
Ondanks het feit dat het moderne bedrijfsleven footloose is en zich kan vestigen waar het wil en de fysieke samenballing van grote aantallen winkels en dienstverlenende instellingen dankzij post, telefoon en internet niet langer nodig is, wijst niets erop dat de voortstuwing van het fenomeen stad zal stoppen. Waarschijnlijk zijn er nog andere belangen die de stad voor de mens vertegenwoordigt. Lodewijk Brunt schrijft in zijn boek Stad (1996): 'Steden kunnen gezien worden als plaatsen waar de meest optimale ecologische omstandigheden voor een speurtocht naar sensualiteit zijn ontwikkeld. In steden is de grootste concentratie te vinden van jagers en verzamelaars, op zoek naar erotische typen en erotische situaties.' Kijk, dat is ook een manier om er tegen aan te kijken.

Consumptief

Maar is dat alles wel te sturen en in te richten? Ja, maar niet als er zonder ziel wordt ontworpen en aangelegd, dan ontstaat er slechts leegstand, afbraak, vervuiling en graffiti. Alles wordt dan wel stijlvol ontworpen, maar als er geen geest aanwezig is, is het van niemand. Daarentegen leidt eigendomsgevoel dikwijls tot vereenzelviging en dat leidt weer tot respect. Want de publieke ruimte kan slechts iets betekenen als ze respect krijgt van de gebruikers, de passanten, de spelende kinderen. Dat respect wordt slechts verkregen als de mensen zich goed voelen in de ruimte, er in kunnen bewegen, spelen, zichzelf ontdekken. Als er ruimte vrij blijft voor de verbeelding die haar eigen weg kan vinden tussen de stammetjes van de keurig in rij geplaatste kleinbladige lindebomen. Als het eigen initiatief zich creatief kan ontplooien. Dat niet alles een kant-en-klaar ingerichte en voorgeprogrammeerde wereld is, waar men slechts kan wachten tot de tram komt en als mens alleen maar gereduceerd is tot een consument van de ruimte. Consumptief gedrag is menselijk gesproken niet erg interessant, omdat daarin zo weinig van de persoonlijkheid is terug te vinden. Men doet niet iets, men ondergaat slechts. In het doen zit een element van creativiteit; het consumeren is nagenoeg lichamelijke bezigheid. Het is het uiterste niet-benutten van vrijheid. De publieke plekken in de stad moeten zodanig geconcipieerd worden dat ze aan de vrijheidsdrang een vorm kunnen geven. Om dat te kunnen zal de vormgever, de ontwerper van die ruimten ook eerst moeten leren begrijpen. Pas dan kan diegene die creëert een vermoeden krijgen van de sublieme ruimte. Hoe dit nu allemaal in een vormentaal te krijgen? Want deze sublimiteiten moeten wel geconstrueerd worden.

Deconstructie

De Franse filosoof Jacques Derrida spreekt in 'Point de folie - Maintenant l'Architecture' (1987) van een aantal constanten die het concept van de architectuur beheersen: oikos (het huis), arché (het fundament) en telos (het doel). Deze constructies aantonen betekent deconstrueren. Niet te verwarren met destructie. Het deconstructivisme is een stroming in met name de filosofie, de literatuur(wetenschap) en de architectuur die uitgaat van de fundamentele scheiding tussen werkelijkheid enerzijds en kunst- en taaluitingen anderzijds en deze laatste analyseert als onderdeel van een systeem van onderlinge relaties en verwijzingen. Voor de filosofen onder u is het dus een methode waarbij teksten zo worden gelezen, dat niet alleen wat er staat bij de interpretatie wordt betrokken, maar ook wat er niet staat een rol kan spelen.
De Zwitserse architect Bernard Tschumi maakt gebruik van de deconstructie. Hij ontwierp het bekende Parc de la Villette te Parijs. Hij legde een denkbeeldig raster (een grid) over de voorziene oppervlakte van het park waardoor een net van punten, lijnen en vlakken ontstond. Op de punten zette hij reuzegrote rode folies (die zo beroemd zijn geworden), de lijnen van het raster geven de richting van wandelroutes aan en de vlakken die op die manier ontstaan komen overeen met de plaatsen in het park waar men plaats kan nemen.
Er is geen opgelegd centrum, er is geen hiërarchie, gebeurtenissen kunnen er werkelijk overal plaatsvinden. Tschumi heeft een ‘architectuur van gebeurtenissen’ willen creëren en kon daarbij de invloed van de filosofie van Martin Heidegger niet verborgen houden (de mens is in de wereld GE-worpen, hij dient zichzelf te ONT-werpen).
Het park werkt vandaag de dag nog steeds als een openbaar mirakel, in een wijk die toch niet als elitebuurt kan aangemerkt worden. Het terrein bestaat uit losse plekken en ruimten waar niets onbeweeglijk is en die er juist zijn om gebeurtenissen in te laten plaatsvinden. Dit is een architectuur die gekheden toelaat, tot de verbeelding spreekt. Een factor die in de Westerse architectuur vaak wordt gemist. Dat is wat de openbare ruimte nodig heeft.

Michel Lafaille
september 2006

$nbsp;