Het dogma
van het perspectief
Ik
was laatst aan het werk op een tuinenbeurs. Vijf dagen
lang mensen op weg helpen die dubben en tobben over hoe
hun tuin aan te pakken, die zoeken naar het antwoord
op welke manier ze met een eigen tuinontwerp dienen te
beginnen. Nog boven hun zoektocht naar de plaats voor
de hortensia’s, de plek voor het terras en de behoefte
aan een waterelementje, scoorde hun drang naar diepte
in de tuin op nummer één van de Toptien
der Grote Wensen: “Wij hebben een tuin van 12 meter
breed en 6 meter diep meneer, en hoe krijgen we nou diepte
in de tuin?”.
Het is dé vraag der vragen, waarop het antwoord alle stoffelijke problemen
en aardse tekortkomingen zal doen oplossen en verbleken in het aanschijn van
het toekomstige paradijs waarmee het ‘ruimtegevoel’ hun tuin zal
veranderen. Een deus ex machina die de ééndimensionaliteit van
hun tuin zal omtoveren tot een virtuele spacebeleving, de ‘Enterprise’ van
de tuinenkosmos. Het dogma van het perspectief had hier opnieuw toegeslagen.
Ruimte
Toch
kan men deze lieve en aardige tuinbezitters niets euvel
duiden. Ze kunnen geen tuintijdschrift of tuinenboek
meer openen of het begrip perspectief straalt hen tegemoet.
De dwang om buxushagen uit te zetten, taxusbollen in
aflopende grootte aan te planten of bolacacia’s
in rijen te zetten is groot, want het schept diepte en
die schijnen we nodig te hebben. Net zoals het zicht
op de eigen auto vanuit de woonkamer de eigen leefwereld
klaarblijkelijk vergroot; de nutteloze aanbouw van carports
of erkers de eigen bestaansruimte tot de uiterst haalbare
fysieke grens verlegt. We hebben ruimte nodig om te bestaan,
althans dat wordt ons aangepraat. Een gewone auto voldoet
niet meer, het moet minstens een jeep of terreinwagen
zijn of in elk geval door zijn vormgeving daaraan appelleren.
We rijden niet naar de supermarkt, we gaan op avontuur.
Daardoor wordt ieder spoor van ‘het gewone’ in ons leven tevens
a priori weggedrukt, want dat zou kunnen lijken op verveling en die moeten
we zien te vermijden. Wij gaan niet naar het zwembad met de kinderen, wij gaan
naar een subtropisch zwemparadijs; wij gaan niet wandelen, wij hebben een outdoor-belevenis.
Of deze ruimtelijke expansiedrift voortkomt uit een innerlijke leegte of angst
voor een zelfontmoeting valt buiten de autoriteit van dit artikel. In elk geval
constateren we dat onze nood aan ruimte is vergroot. Die ruimte dient ons een
eigen representatie te geven, moet ons vertellen dat we bestaan en misschien
wel dat we het hebben gemaakt (of gehaald?). Maar tegelijkertijd hebben we
angst voor die lege ruimte, waarin we ons teruggeworpen zouden voelen in het
niets. We zouden er alleen zijn. Daarom beginnen we onmiddellijk met de ruimte
te vullen en doen dat niet met gedachten of overpeinzingen maar met de dingen.
We voegen dingen toe om de gecreëerde ruimte op te vullen want hier spreken
we plots niet meer over ruimte in de zin van diepte, maar over ruimte als leegheid,
als een niets waarin wij ons zouden kunnen bewegen of bevinden. In de volksmond
omschrijven we dat toevoegen als ‘gezellig maken’.
Val
Hier
verschijnt het grote probleem voor het ontwerp: er ontstaat
een vicieuze cirkel, een kringloop van oorzaak en gevolg,
van elkaar onderling veroorzakende en versterkende factoren
waarbij de conclusie of het resultaat steeds weer tot
hetzelfde uitgangspunt terugvoert. Willen we nu ruimte
(diepte) of niet (gezelligheid)? Want iedere uitbreiding
van de ruimte, al vindt die zelfs alleen maar virtueel
plaats via het perspectief, zal onherroepelijk leiden
tot een invulling en opvulling van die ruimte met nog
meer dingen, waardoor een nieuwe en verdere vraag naar
ruimte ontstaat, die op haar beurt weer opnieuw een invulling
behoeft, enzovoort. Welkom in de val.
Maar omdat wij de dingen tegelijkertijd gebruiken om de ruimte (diepte) te
markeren in een perspectief en om de ruimte (leegte) te vullen ontstaat een
conflict in de dingen zelf. Immers wij kijken op een andere manier naar de
dingen die in functie van het perspectief –onze manier van kijken– staan,
dan dat we kijken naar de dingen ‘an sich’, als gegeven in de ruimte.
Ons perspectivisch kijken is een ander soort kijken dan ons ontroerd of emotioneel
kijken. Bij het eerste willen wij juist een afstand voelen in het kijken, bij
het tweede een nabijheid. Als alledaags voorbeeld nemen hiervoor een tuin met
een laantje leilinden (of kleurige stamroosjes) welk wordt beëindigd met
een fonteintje. De leilinden begeleiden de blik van het oog, leiden de blik
in een perspectief naar een diepte waar het fonteintje staat. Dat moet ons
ontroeren en een emotie oproepen. De leibomen dienen om het perspectief te
vormen in een kleine tuin, die zonder deze bomen bij eerste waarneming als
een plat vlak ervaren zou worden. Het perspectief is de kunst om voorwerpen
zo op een plat vlak af te beelden, dat zij driedimensionaal lijken. Met andere
woorden, we maken een illusie van ruimte, we maken van het platte vlak een
schijnbare diepte. Dat is een regel geworden. De eerste die regels voor het
wetenschappelijk perspectief opstelde, was de Italiaanse kunstenaar en theoreticus
Leon Battista Alberti (1407-1472). In het boek Perspective (1604) beschreef
Hans Vredeman de Vries voor het eerst in de Nederlanden de grondregels van
het wetenschappelijk perspectief. Tevens diende dit werk als een voorbeeldboek,
een staalkaart van aan de klassieke oudheid ontleende elementen. Het (wetenschappelijk
of lineair) perspectief is een op de wiskunde gebaseerd systeem, waardoor het
mogelijk is om voorwerpen en figuren op een plat vlak zodanig weer te geven
dat zij driedimensionaal lijken te zijn en waarmee ruimte en diepte wordt gesuggereerd.
In de kunst van het perspectief onderscheidt men verschillende toepassingen:
het ordinaire, militaire, curieuze en het vogelperspectief. Men kan het perspectief
in twee soorten splitsen: het lijnvormige en het luchtperspectief en men kan
onderscheidt maken tussen het constructieve of meetkundig perspectief en het
vrije of schildersperspectief. Over de verdere indeling is een boeiende studie
te maken, maar dat zou hier tot een te technische benadering van ons onderwerp
leiden. Geïnteresseerden kunnen hun hart ophalen in de Winkler Prins encyclopedie
of technische literatuur.
Deze
regels nu, hebben wij omgedraaid om ze in de andere richting –averechts– in
de tuin te gebruiken. In plaats van ze als een hulpmiddel
te benutten om de realiteit op bijvoorbeeld het papier
weer te geven, gebruiken wij de regels om in de realiteit
een nieuwe realiteit te scheppen of toe te voegen. Dit
is een trucje uit de trukendoos van het theater, waar
door middel van het decor op de beperkte ruimte van de
bühne suggesties van werelden moeten worden weergegeven;
de regisseur wil bijvoorbeeld de verlatenheid van de
hoofdrolspeler door middel van een desolaat landschap
versterken. De trompe-l’oeil was geboren. Dit perspectief
leidt de blik onherroepelijk naar een eindpunt, waarop
het oog gefocust wordt. Alle aanwezige elementen staan
in dienst van dit ene doel, waardoor onze oogopslag en
daardoor onze gedachten of mijmeringen bij de dingen
geen ruimte meer krijgen. Door dit geforceerd perspectief
ontstaat een afstand tot de dingen die we juist wel willen
zien of hun nabijheid voelen. Al onze emotie gaat op
in het totaal van het perspectief, welk zich als een
nieuwe eenheid aan ons voordoet. Een soort snelweg van
het kijken. Maar wij missen de uitwerking van de dingen
zelf, ze zijn niet meer. Het fonteintje ontroert ons
niet, we kunnen het niet zelf ontdekken.
Heidegger
Om
dit beter te begrijpen laten we de Duitse filosoof Martin
Heidegger spreken, in zijn hoofdwerk Sein und Zeit verschenen
in 1927 (Nederlandse vertaling uitgeverij SUN 1998).
De werking van dit boek en de uitstraling van Heidegger
als docent was in die tijd zo groot dat hij in Duitsland
vrijwel alle bestaande andere filosofie wegvaagde.
Sein und Zeit wil op de eerste plaats een leer en een
analyse van ‘het zijn’ formuleren. Wij gebruiken
het woord en het werkwoord ‘zijn’ heel veel, maar
zonder uitdrukkelijk te weten wat dat woord eigenlijk betekent.
De grote vraag van Sein und Zeit is dan ook kortweg
aan te duiden als: Wat betekent eigenlijk zijn? Het woord ‘zijn’ en ‘zijnde’ zal
in eerste instantie voor niet-filosofen een vreemd begrip zijn.
Zijnde kan eenvoudig begrepen worden als een deelwoord van het
werkwoord zijn: dat wat bezig is te zijn. Alles wat is, daarvan
kan men zeggen dat het bezig is te zijn. Daarom kan men al de
dingen die zijn, zoals liefde, god, een steen, een stofzuiger,
of wat dan ook, aanduiden als zijnde.
Aan het begin van het boek vraagt Heidegger zich af hoe wij toegang tot het
zijn krijgen. Daartoe onderzoekt Heidegger het zijnde dat besef heeft van zijn
en dat is de mens. De mens is het wezen dat het zijn verstaat. Wij geven aan
hoe wij iets verstaan en opvatten, niet alleen door er uitdrukkelijk een mening
over te geven, maar ook in de omgang ermee. Het ‘zijnsverstaan’ van
de mens komen we op de eerste plaats tegen in de manier waarop de mens met
de dingen en zijn medemens omgaat. Heidegger gebruikt voor de mens het begrip
Dasein.
Dasein
Als
eerste stellen we dat het Dasein altijd al bij de dingen
is. De rustieke natuursteenbank waarop ik zit in de tuin,
is voor mij geen raadsel, maar is voor mij, zoals voor
iedereen, toegankelijk als een handig instrument om op
te zitten. De mens hoeft niet op kunstmatige wijze contact
met de dingen om hem heen te leggen, ze zijn al min of
meer vanzelfsprekend aanwezig. Dingen zijn voor ons namelijk
op de eerste plaats gebruiksvoorwerpen. Deze voorwerpen
zijn echter onderdeel van een geheel. Dit geheel bepaalt
de betekenis van het voorwerp. Een tafel in een leslokaal
heeft een andere betekenis dan een tafel in een restaurant.
Een boom in de tuin spreekt anders tot ons dan een boom
in de straat. Bovendien verwijst een voorwerp steeds
weer naar andere voorwerpen: een pen verwijst naar inkt,
naar papier, etc. Al deze afzonderlijke dingen verwijzen
naar elkaar en vormen als geheel van verwijzingen bijvoorbeeld
de kamer of de tuin waarin zij zich bevinden; zij maken
daardoor die kamer tot een studeerkamer, de tuin tot
een boerentuin. Daarom bestaan dingen ook niet afzonderlijk
en op zich, maar zijn zij steeds aanwezig in een specifieke
samenhang.
De samenhang waarin de gebruiksvoorwerpen bestaan is nooit als geheel aanwezig
voor het Dasein. In zekere zin is het zijn van het Dasein voor het Dasein een
doel op zich en niet meer afhankelijk van een hoger of verder weg liggend doel.
Deze wereld van het ding valt niet op zolang de mens er nog in opgaat. Een
smid gaat op in zijn smederij; alles is rondom hem heen gebouwd, zonder dat
hij expliciet weet hoe alles met elkaar samenhangt en hoe alles naar elkaar
verwijst. Hij gaat op in de betekenis en het samenhangen van de smederij; juist
daardoor is hij smid. De smid ‘gaat op in zijn wereld’. Pas wanneer
wij ons terugtrekken uit onze directe betrokkenheid, verschijnt de wereld voor
ons als een geheel van samenhangen. Het is niet zo dat het Dasein dit geheel
van samenhangen helemaal nieuw moet inrichten. In het maken van verwijzingen
en het bouwen aan zijn wereld, bouwt hij altijd voort op relaties en betekenissen
die er al zijn en die hij aantreft. Daarom kan Heidegger zeggen dat het Dasein
altijd al in de wereld is.
Heideggers
filosofie is ook een analyse van de westerse filosofie.
In de moderne tijd is de mens steeds meer tot de maat
van alle werkelijkheid geworden. De problematiek die
Heidegger aanroert is niet eenvoudig. Telkens wanneer
de mens het zijn ter sprake wil brengen trekt het zijn
zich terug. Het zijn laat zich niet als een ding of als
een zijnde identificeren. Het zijn is altijd anders dan
het zijnde. Het zijn zelf trekt zich terug voor het filosoferende
bewustzijn, en laat zich slechts vermoeden en dichtend
aanwijzen.
Dicht bij de dingen
Nu
terug naar het fonteintje en ons probleem van waarneming.
Het fonteintje bestaat uit steen welk we kunnen waarnemen.
Het is een stoffelijke voorstelling. Maar we zijn op
zoek naar de vermoedens en de dichtende aanwijzingen.
Dat is de reden waarom het fonteintje in de tuin staat
of waarom we ergens op vakantie weemoedig naar een landweg
staan te kijken. Telkens als we dichtbij het wezen van
het ding komen, het zijnde ervan bijna ervaren, glipt
het weer weg. We staan op het punt iets te begrijpen
wat zich aan ons openbaart maar in het volgende ogenblik
vragen we ons af wat er te begrijpen zou hebben kunnen
zijn? Is het wezen van het ding dan verdwenen of hebben
we het al in ons opgenomen? Is het deel geworden van
ons waardoor er niets onbegrepens meer overblijft? Het
is pas als de dingen in hun ware aard en grootte geordend
zijn dat ze echt aan ons kunnen verschijnen. Als ze in
volle aanwezigheid aan ons zichtbaar worden, dus als
ze naast elkaar kunnen bestaan en een onderling verband
aangeven. Daartoe kunnen wij net als in de eerste iconen
en fresco’s gebruik maken van het platte vlak.
In het platte vlak krijgen de dingen een grote literaire
betekenis.
Zoals de huizen op de foto zich sluiten tot één geheel welk tot
ons spreekt over families, relaties, buren en het leven in die straat. Zoals
het weglopende zoontje in het gras in relatie staat met de vader die een foto
maakt van zijn zusje, zoals de knotwilgen meer knotten door de hoge eiken,
zoals de roze muur meer roze is door het groen gebladerte en de onbeweeglijkheid
van de muur meer onbeweeglijk is door de beweeglijkheid van het gebladerte,
zoals de lucht blauwer is door de witte streep en zelfs Vermeer intiemer is
op een billboard door de sparren. Het is hier niet het contrast of de tegenstelling
die vanuit de verschillendheid van de dingen aan het werk is, maar juist de
aanvulling en het contemporaine verschijnen van de dingen in hun onderling
verband. En doordat alle dingen evenwaardig en volwassen kunnen verschijnen
in het platte vlak van de compositie kunnen ze ook volwaardig tot ons spreken.
Daardoor wordt de ruimte waar ze zich in bevinden juist vergroot in beleving
en in ervaring dan ze dat door het perspectief zou hebben kunnen zijn.
Laten
we in de kleine tuinen van de mensen stoppen met het
perspectief maar hen de dingen geven die ze willen zien,
hun aanwezigheid ervaren en ermee in verbinding staan.
Michel Lafaille
maart 2004 |