Enkele teksten:
 Una giornata particolare a Lago di Como (Aprile 2005)
 La couleur n' existe pas... (Décembre 2004)
 Die Trägheit Mallorcas (August 2004)
 The quest for beauty (December 2003)

 

Daar is zij dan, de openbare ruimte (september 2006)
De groene reuzen van Brussel (maart 2006)
Drie musea van Frank O. Gehry (dec 2005)
Het geheim van het bosje (mei 2005)
Una giornata particolare a Lago di Como (april 2005)
A van Antwerpen (mei 2004)
De Wirtz familie (mei 2004)
Stad van Trouvailles (mei 2004)
De onschuld van de rivier (mei 2004)
De romantiek overleeft (mei 2004)
De Waal (april 2004)
Santhagens in Amsterdam: Pictures at an Exhibition (maart 2004)
Het dogma van het perspectief (maart 2004)
Henk van Os - Het Russische Landschap (maart 2004)
De straat (maart 2004)
De kunst van het reizen (februari 2004)
Parc Georges Brassens (februari 2004)
Leren van het kiekje (februari 2004)
Het sprookje (februari 2004)
De zitplek (februari 2004)
B van Barcelona (februari 2004)
De tederheid: New York (januari 2004)
Tijd & Ruimte: Het Loo (december 2003)
De queeste voor schoonheid (december 2003)
De andere kant van het meer (juni 2003)
De lijn (juni 2003)
Lodewijk Baljon (mei 2003)
Starck in Parijs... een knock-out (april 2003)
De muur (april 2003)
50 Ways to meet Madrid (april 2003)
Nils Udo (maart 2003)
Over beleven (maart 2003)
De trap (februari 2003)

Het dogma van het perspectief

Ik was laatst aan het werk op een tuinenbeurs. Vijf dagen lang mensen op weg helpen die dubben en tobben over hoe hun tuin aan te pakken, die zoeken naar het antwoord op welke manier ze met een eigen tuinontwerp dienen te beginnen. Nog boven hun zoektocht naar de plaats voor de hortensia’s, de plek voor het terras en de behoefte aan een waterelementje, scoorde hun drang naar diepte in de tuin op nummer één van de Toptien der Grote Wensen: “Wij hebben een tuin van 12 meter breed en 6 meter diep meneer, en hoe krijgen we nou diepte in de tuin?”.
Het is dé vraag der vragen, waarop het antwoord alle stoffelijke problemen en aardse tekortkomingen zal doen oplossen en verbleken in het aanschijn van het toekomstige paradijs waarmee het ‘ruimtegevoel’ hun tuin zal veranderen. Een deus ex machina die de ééndimensionaliteit van hun tuin zal omtoveren tot een virtuele spacebeleving, de ‘Enterprise’ van de tuinenkosmos. Het dogma van het perspectief had hier opnieuw toegeslagen.

Ruimte

Toch kan men deze lieve en aardige tuinbezitters niets euvel duiden. Ze kunnen geen tuintijdschrift of tuinenboek meer openen of het begrip perspectief straalt hen tegemoet. De dwang om buxushagen uit te zetten, taxusbollen in aflopende grootte aan te planten of bolacacia’s in rijen te zetten is groot, want het schept diepte en die schijnen we nodig te hebben. Net zoals het zicht op de eigen auto vanuit de woonkamer de eigen leefwereld klaarblijkelijk vergroot; de nutteloze aanbouw van carports of erkers de eigen bestaansruimte tot de uiterst haalbare fysieke grens verlegt. We hebben ruimte nodig om te bestaan, althans dat wordt ons aangepraat. Een gewone auto voldoet niet meer, het moet minstens een jeep of terreinwagen zijn of in elk geval door zijn vormgeving daaraan appelleren. We rijden niet naar de supermarkt, we gaan op avontuur.
Daardoor wordt ieder spoor van ‘het gewone’ in ons leven tevens a priori weggedrukt, want dat zou kunnen lijken op verveling en die moeten we zien te vermijden. Wij gaan niet naar het zwembad met de kinderen, wij gaan naar een subtropisch zwemparadijs; wij gaan niet wandelen, wij hebben een outdoor-belevenis.
Of deze ruimtelijke expansiedrift voortkomt uit een innerlijke leegte of angst voor een zelfontmoeting valt buiten de autoriteit van dit artikel. In elk geval constateren we dat onze nood aan ruimte is vergroot. Die ruimte dient ons een eigen representatie te geven, moet ons vertellen dat we bestaan en misschien wel dat we het hebben gemaakt (of gehaald?). Maar tegelijkertijd hebben we angst voor die lege ruimte, waarin we ons teruggeworpen zouden voelen in het niets. We zouden er alleen zijn. Daarom beginnen we onmiddellijk met de ruimte te vullen en doen dat niet met gedachten of overpeinzingen maar met de dingen. We voegen dingen toe om de gecreëerde ruimte op te vullen want hier spreken we plots niet meer over ruimte in de zin van diepte, maar over ruimte als leegheid, als een niets waarin wij ons zouden kunnen bewegen of bevinden. In de volksmond omschrijven we dat toevoegen als ‘gezellig maken’.

Val

Hier verschijnt het grote probleem voor het ontwerp: er ontstaat een vicieuze cirkel, een kringloop van oorzaak en gevolg, van elkaar onderling veroorzakende en versterkende factoren waarbij de conclusie of het resultaat steeds weer tot hetzelfde uitgangspunt terugvoert. Willen we nu ruimte (diepte) of niet (gezelligheid)? Want iedere uitbreiding van de ruimte, al vindt die zelfs alleen maar virtueel plaats via het perspectief, zal onherroepelijk leiden tot een invulling en opvulling van die ruimte met nog meer dingen, waardoor een nieuwe en verdere vraag naar ruimte ontstaat, die op haar beurt weer opnieuw een invulling behoeft, enzovoort. Welkom in de val.
Maar omdat wij de dingen tegelijkertijd gebruiken om de ruimte (diepte) te markeren in een perspectief en om de ruimte (leegte) te vullen ontstaat een conflict in de dingen zelf. Immers wij kijken op een andere manier naar de dingen die in functie van het perspectief –onze manier van kijken– staan, dan dat we kijken naar de dingen ‘an sich’, als gegeven in de ruimte. Ons perspectivisch kijken is een ander soort kijken dan ons ontroerd of emotioneel kijken. Bij het eerste willen wij juist een afstand voelen in het kijken, bij het tweede een nabijheid. Als alledaags voorbeeld nemen hiervoor een tuin met een laantje leilinden (of kleurige stamroosjes) welk wordt beëindigd met een fonteintje. De leilinden begeleiden de blik van het oog, leiden de blik in een perspectief naar een diepte waar het fonteintje staat. Dat moet ons ontroeren en een emotie oproepen. De leibomen dienen om het perspectief te vormen in een kleine tuin, die zonder deze bomen bij eerste waarneming als een plat vlak ervaren zou worden. Het perspectief is de kunst om voorwerpen zo op een plat vlak af te beelden, dat zij driedimensionaal lijken. Met andere woorden, we maken een illusie van ruimte, we maken van het platte vlak een schijnbare diepte. Dat is een regel geworden. De eerste die regels voor het wetenschappelijk perspectief opstelde, was de Italiaanse kunstenaar en theoreticus Leon Battista Alberti (1407-1472). In het boek Perspective (1604) beschreef Hans Vredeman de Vries voor het eerst in de Nederlanden de grondregels van het wetenschappelijk perspectief. Tevens diende dit werk als een voorbeeldboek, een staalkaart van aan de klassieke oudheid ontleende elementen. Het (wetenschappelijk of lineair) perspectief is een op de wiskunde gebaseerd systeem, waardoor het mogelijk is om voorwerpen en figuren op een plat vlak zodanig weer te geven dat zij driedimensionaal lijken te zijn en waarmee ruimte en diepte wordt gesuggereerd. In de kunst van het perspectief onderscheidt men verschillende toepassingen: het ordinaire, militaire, curieuze en het vogelperspectief. Men kan het perspectief in twee soorten splitsen: het lijnvormige en het luchtperspectief en men kan onderscheidt maken tussen het constructieve of meetkundig perspectief en het vrije of schildersperspectief. Over de verdere indeling is een boeiende studie te maken, maar dat zou hier tot een te technische benadering van ons onderwerp leiden. Geïnteresseerden kunnen hun hart ophalen in de Winkler Prins encyclopedie of technische literatuur.

Deze regels nu, hebben wij omgedraaid om ze in de andere richting –averechts– in de tuin te gebruiken. In plaats van ze als een hulpmiddel te benutten om de realiteit op bijvoorbeeld het papier weer te geven, gebruiken wij de regels om in de realiteit een nieuwe realiteit te scheppen of toe te voegen. Dit is een trucje uit de trukendoos van het theater, waar door middel van het decor op de beperkte ruimte van de bühne suggesties van werelden moeten worden weergegeven; de regisseur wil bijvoorbeeld de verlatenheid van de hoofdrolspeler door middel van een desolaat landschap versterken. De trompe-l’oeil was geboren. Dit perspectief leidt de blik onherroepelijk naar een eindpunt, waarop het oog gefocust wordt. Alle aanwezige elementen staan in dienst van dit ene doel, waardoor onze oogopslag en daardoor onze gedachten of mijmeringen bij de dingen geen ruimte meer krijgen. Door dit geforceerd perspectief ontstaat een afstand tot de dingen die we juist wel willen zien of hun nabijheid voelen. Al onze emotie gaat op in het totaal van het perspectief, welk zich als een nieuwe eenheid aan ons voordoet. Een soort snelweg van het kijken. Maar wij missen de uitwerking van de dingen zelf, ze zijn niet meer. Het fonteintje ontroert ons niet, we kunnen het niet zelf ontdekken.

Heidegger

Om dit beter te begrijpen laten we de Duitse filosoof Martin Heidegger spreken, in zijn hoofdwerk Sein und Zeit verschenen in 1927 (Nederlandse vertaling uitgeverij SUN 1998). De werking van dit boek en de uitstraling van Heidegger als docent was in die tijd zo groot dat hij in Duitsland vrijwel alle bestaande andere filosofie wegvaagde.
Sein und Zeit wil op de eerste plaats een leer en een analyse van ‘het zijn’ formuleren. Wij gebruiken het woord en het werkwoord ‘zijn’ heel veel, maar zonder uitdrukkelijk te weten wat dat woord eigenlijk betekent. De grote vraag van Sein und Zeit is dan ook kortweg aan te duiden als: Wat betekent eigenlijk zijn? Het woord ‘zijn’ en ‘zijnde’ zal in eerste instantie voor niet-filosofen een vreemd begrip zijn. Zijnde kan eenvoudig begrepen worden als een deelwoord van het werkwoord zijn: dat wat bezig is te zijn. Alles wat is, daarvan kan men zeggen dat het bezig is te zijn. Daarom kan men al de dingen die zijn, zoals liefde, god, een steen, een stofzuiger, of wat dan ook, aanduiden als zijnde.
Aan het begin van het boek vraagt Heidegger zich af hoe wij toegang tot het zijn krijgen. Daartoe onderzoekt Heidegger het zijnde dat besef heeft van zijn en dat is de mens. De mens is het wezen dat het zijn verstaat. Wij geven aan hoe wij iets verstaan en opvatten, niet alleen door er uitdrukkelijk een mening over te geven, maar ook in de omgang ermee. Het ‘zijnsverstaan’ van de mens komen we op de eerste plaats tegen in de manier waarop de mens met de dingen en zijn medemens omgaat. Heidegger gebruikt voor de mens het begrip Dasein.

Dasein

Als eerste stellen we dat het Dasein altijd al bij de dingen is. De rustieke natuursteenbank waarop ik zit in de tuin, is voor mij geen raadsel, maar is voor mij, zoals voor iedereen, toegankelijk als een handig instrument om op te zitten. De mens hoeft niet op kunstmatige wijze contact met de dingen om hem heen te leggen, ze zijn al min of meer vanzelfsprekend aanwezig. Dingen zijn voor ons namelijk op de eerste plaats gebruiksvoorwerpen. Deze voorwerpen zijn echter onderdeel van een geheel. Dit geheel bepaalt de betekenis van het voorwerp. Een tafel in een leslokaal heeft een andere betekenis dan een tafel in een restaurant. Een boom in de tuin spreekt anders tot ons dan een boom in de straat. Bovendien verwijst een voorwerp steeds weer naar andere voorwerpen: een pen verwijst naar inkt, naar papier, etc. Al deze afzonderlijke dingen verwijzen naar elkaar en vormen als geheel van verwijzingen bijvoorbeeld de kamer of de tuin waarin zij zich bevinden; zij maken daardoor die kamer tot een studeerkamer, de tuin tot een boerentuin. Daarom bestaan dingen ook niet afzonderlijk en op zich, maar zijn zij steeds aanwezig in een specifieke samenhang.
De samenhang waarin de gebruiksvoorwerpen bestaan is nooit als geheel aanwezig voor het Dasein. In zekere zin is het zijn van het Dasein voor het Dasein een doel op zich en niet meer afhankelijk van een hoger of verder weg liggend doel. Deze wereld van het ding valt niet op zolang de mens er nog in opgaat. Een smid gaat op in zijn smederij; alles is rondom hem heen gebouwd, zonder dat hij expliciet weet hoe alles met elkaar samenhangt en hoe alles naar elkaar verwijst. Hij gaat op in de betekenis en het samenhangen van de smederij; juist daardoor is hij smid. De smid ‘gaat op in zijn wereld’. Pas wanneer wij ons terugtrekken uit onze directe betrokkenheid, verschijnt de wereld voor ons als een geheel van samenhangen. Het is niet zo dat het Dasein dit geheel van samenhangen helemaal nieuw moet inrichten. In het maken van verwijzingen en het bouwen aan zijn wereld, bouwt hij altijd voort op relaties en betekenissen die er al zijn en die hij aantreft. Daarom kan Heidegger zeggen dat het Dasein altijd al in de wereld is.

Heideggers filosofie is ook een analyse van de westerse filosofie. In de moderne tijd is de mens steeds meer tot de maat van alle werkelijkheid geworden. De problematiek die Heidegger aanroert is niet eenvoudig. Telkens wanneer de mens het zijn ter sprake wil brengen trekt het zijn zich terug. Het zijn laat zich niet als een ding of als een zijnde identificeren. Het zijn is altijd anders dan het zijnde. Het zijn zelf trekt zich terug voor het filosoferende bewustzijn, en laat zich slechts vermoeden en dichtend aanwijzen.

Dicht bij de dingen

Nu terug naar het fonteintje en ons probleem van waarneming. Het fonteintje bestaat uit steen welk we kunnen waarnemen. Het is een stoffelijke voorstelling. Maar we zijn op zoek naar de vermoedens en de dichtende aanwijzingen. Dat is de reden waarom het fonteintje in de tuin staat of waarom we ergens op vakantie weemoedig naar een landweg staan te kijken. Telkens als we dichtbij het wezen van het ding komen, het zijnde ervan bijna ervaren, glipt het weer weg. We staan op het punt iets te begrijpen wat zich aan ons openbaart maar in het volgende ogenblik vragen we ons af wat er te begrijpen zou hebben kunnen zijn? Is het wezen van het ding dan verdwenen of hebben we het al in ons opgenomen? Is het deel geworden van ons waardoor er niets onbegrepens meer overblijft? Het is pas als de dingen in hun ware aard en grootte geordend zijn dat ze echt aan ons kunnen verschijnen. Als ze in volle aanwezigheid aan ons zichtbaar worden, dus als ze naast elkaar kunnen bestaan en een onderling verband aangeven. Daartoe kunnen wij net als in de eerste iconen en fresco’s gebruik maken van het platte vlak. In het platte vlak krijgen de dingen een grote literaire betekenis.
Zoals de huizen op de foto zich sluiten tot één geheel welk tot ons spreekt over families, relaties, buren en het leven in die straat. Zoals het weglopende zoontje in het gras in relatie staat met de vader die een foto maakt van zijn zusje, zoals de knotwilgen meer knotten door de hoge eiken, zoals de roze muur meer roze is door het groen gebladerte en de onbeweeglijkheid van de muur meer onbeweeglijk is door de beweeglijkheid van het gebladerte, zoals de lucht blauwer is door de witte streep en zelfs Vermeer intiemer is op een billboard door de sparren. Het is hier niet het contrast of de tegenstelling die vanuit de verschillendheid van de dingen aan het werk is, maar juist de aanvulling en het contemporaine verschijnen van de dingen in hun onderling verband. En doordat alle dingen evenwaardig en volwassen kunnen verschijnen in het platte vlak van de compositie kunnen ze ook volwaardig tot ons spreken. Daardoor wordt de ruimte waar ze zich in bevinden juist vergroot in beleving en in ervaring dan ze dat door het perspectief zou hebben kunnen zijn.

Laten we in de kleine tuinen van de mensen stoppen met het perspectief maar hen de dingen geven die ze willen zien, hun aanwezigheid ervaren en ermee in verbinding staan.

Michel Lafaille
maart 2004

$nbsp;