De queeste
voor schoonheid
Op
mijn vijftiende las ik, waarschijnlijk in een damesblad,
een interview met de toentertijd beroemde Franse acteur
Alain Delon waarin hij zei dat hij de volgende zin de
mooiste vond die hij kende: She looked back to see
if he looked back to see if she looked back to see is
if he looked back at her.
Los van de vierdubbeldiepe verhaallijn en de creatie van een narratieve dramaturgie
die in mijn geest een soort mini Marcel Proust deed opborrelen, was ik het
meest gefascineerd door het plein waarop deze actie zich afspeelde. Telkens
als ik deze woorden in mijn hoofd herhaalde zag ik (en zie ik tot de dag van
vandaag terwijl ik u dit schrijf) opnieuw hetzelfde wat parkachtige plein (in
een Franse stad?) waarop nog vrij jonge lindebomen staan in een eenvoudig grit
in een halfverharde ruimte die vooral wordt vormgegeven door de gietijzeren
slanke boombeschermers. Er zijn wat eenvoudige banken waartussen duiven rondlopen,
er is het wat vertraagde geluid van stadsdrukte, met daarin een kerkklok (dat
weet ik zeker) en licht. Een plaats van hoop en toekomst, waarin het verhaal
van de twee verliefde jonge mensen zich almaar verder zou kunnen afspelen.
Hun nu al complexe verhouding die gebaseerd is op veronderstellingen en berust
op wederzijdse beloftes en verwachtingen, kon alleen maar existeren en overwinnen
dankzij een zo helder en eenvoudig stadsplein.
Op
mijn achttiende zag ik een voorstelling van Shakespeare
door het gezelschap van Peter Brook in een lege fabriekshal
te Brussel. Het was 1969 en zijn boek The Empty Space maakte
furore in de theaterwereld. Hoe kon iemand de zo ingewikkelde
thematieken van Shakespeare op een zo eenvoudige en klare
manier in een immens lege ruimte laten leven en ze zelfs
de voorjaarszon van Firence meegeven? De acteurs zaten
gehurkt tegen de afgebrokkelde muren en wachtten in volle
concentratie hun beurt af, sprongen plots met volle energie
op en lieten hun heldere stemmen als bergriviertjes door
de hal klinken, die in de dialogen niet tot een bergstroom
verwerden maar rond elkaar bleven draaien tot op centimeters
genaderd maar dan weer door een plotse wending van elkaar
af stroomden. Geen decorstuk of rekwisiet, geen gewaad
of kostuum, geen toneelspot of gefabriceerde rook. Alleen
ruimte. In mijn fantasie zag ik Peter Brook door Europa
reizen op zoek naar alle lege fabrieken waarin hij met
zijn troep zou kunnen spelen.
Onbegrijpelijk zwijgen
Het
zijn slechts twee anekdotische voorbeelden om mijn keuze
te verduidelijken, het leven te willen doorbrengen met
het (helpen) maken van schoonheid die ertoe zou kunnen
bijdragen dat het publiek (ikzelf inbegrepen) een stap
dichter bij zelfverwerkelijking zou kunnen komen.
Ik ben tot mijn veertigste actief geweest in de theaterwereld en een late leerling
in de tuin- en landschapsarchitectuur. Bezeten van de kunsten en de filosofie
daarmee verband houdend wandelde ik, pas afgestudeerd op middelbare leeftijd,
laat de wereld van de ‘buitenruimten’ binnen. Daar loop ik nu enkele
jaren in rond en begin me er thuis te voelen. Het ontwerpproces, de analyse,
de ruimtelijke compositie, de historische verwijzing, de continuïteit,
functionaliteit en flexibiliteit zijn begrippen die vanuit de literatuur een
onderdeel van mijn denken zijn geworden. Toch blijft mij een distante vraag
bevreemden, een retorische vraag die men eigenlijk nooit hardop uitspreekt.
Waarom praat men hier nooit over schoonheid? Mag men in de rationele en analyserende
cultuurwereld van de tuin- en landschapsarchitectuur niet gewagen van iets
wat de bedoeling heeft mooi te zijn? Is het een vorm van machteloze schaamte
of misplaatste onbescheidenheid; een schroom die een onvermogen moet verbergen
of een puriteinse angst iets aan te roeren waarvoor men geen vocabulaire heeft?
Of zwijgt men, om met Ludwig Wittgenstein te spreken, over datgene waarover
men niet kan spreken (1918)?
De filosofische excursie
In
de dagelijkse conversatie worden de begrippen mooi, esthetisch
of schoonheid frequent verward en onbewust door elkaar
gehaald. Met smaak of kunstzin er ook nog bij wordt het
kluwen van Ariadne compleet. Deze confusie leidt dan
snel tot platitudes zoals ‘Over smaak valt niet
te twisten’ en dat is volgens de Duitse filosoof
Immanuel Kant een grote misvatting. Mijns inziens zouden
wij uren en dagen over schoonheid moeten praten en redetwisten
en de esthetiek zou tot onze triviale gesprekonderwerpen
moeten behoren. Laat ons de leer van Kant erbij nemen
zoals die te vinden is in de Analytik des Schönen,
het eerste boek van de Kritik der Urteilskraft (1790).
Kant geeft ons vier gezichtspunten met daaruit volgend vier definities. Lezen
we die achter elkaar dan ontstaat:
-
Smaak is het oordeelsvermogen over een object of over een voorstellingswijze
door een welbehagen of onbehagen zonder enig belang. Het object van
een dergelijk welbehagen noemt men schoon.
-
Schoon is datgene wat zonder begrip algemeen behaagt.
-
Schoonheid is de vorm van de doelmatigheid van een object,
in zoverre de schoonheid zonder voorstelling van een
doel in dat object wordt waargenomen.
-
Schoon is wat zonder begrip als object van een noodzakelijk
welbehagen gekend wordt.
Kant
stelt dus dat de term ‘kunst’ slaat op werken
die hun doel in zich dragen of waarvan het doel geen
ander doel overstijgt. Er is dus sprake van autonomie
van het esthetische oordeel dat los staat van doelmatigheid
of nuttigheid.
Martin
Heidegger stelt in zijn hoofdwerk Sein und Zeit (1927)
dat de mens in de wereld is geworpen en niet berekend
of gepland. We betreden hier de filosofie van het ont-werpen.
Wij zijn dus aan deze geworpenheid uitgeleverd en dat
geeft het inzicht dat wij vanuit deze geworpenheid onze
eigen mogelijkheden kunnen verstaan, die er niet zouden
zijn als we gepland of berekend waren. De mens kan zichzelf
ontdekken en dat is volgens Heidegger synoniem aan ontwerpen.
De mens ontwerpt het zijn van zijn bestaan op een even
oorspronkelijke manier als zijn werkelijke leven. Omdat
de mens is, is hij reeds ontworpen en zal hij blijven
ontwerpen zolang hij bestaat. De mens beschikt dus over
mogelijkheden en die mogen niet definitief worden vastgelegd.
Daarmee zou de ontwerper zijn toekomst worden ontnomen
die dan niet langer uit mogelijkheden maar uit bestanden
zou bestaan. In haar boek Ademruimte (2000)
schrijft Ann van Sevenant hierover: De geworpenheid
is de basis van het menselijke bestaan, we ontwerpen
altijd op basis van deze worp, maar die worp is geen
eenrichtingsverkeer. We zijn niet alleen maar geworpen –dat
zou ons onverschillig maken voor het geworpen zijn– wel
worden we als het ware in mogelijkheden geworpen. Nog
anders gezegd werpen we onszelf op de mogelijkheden waarin
we geworpen worden, zijn we gericht op de toegeworpen
mogelijkheden.
Gerrit
Teule schrijft in zijn boek 'Chaos en Liefde'
over schoonheid het volgende: De structuren en trillingen
in ons eonengeheugen resoneren met de structuren en trillingen
die we in de buitenwereld waarnemen. Deze resonantie
van trillingspatronen en structuren (morfische resonantie)
is wat wij ervaren als schoonheid. We vinden mooi wat
onze eigen geest in de evolutie ooit heeft bedacht en
geconstrueerd. In zekere zin volgt het boek de gedachtengang
van Pierre Teilhard de Chardin, die luidt: De menselijke
soort heeft in de evolutie alle stadia doorgemaakt van
de soorten onder hem, die minder bewust en complex zijn.
Tijdens dat evolutieproces is datgene, wat waardevol
was voor de voortgang ervan, in het geheugen van onze
soort opgeslagen. Als we met Teilhard aannemen, dat onze
evolutie gericht is op Omega, de terugkeer in de Schepper,
dan ervaren we datgene wat het meest wezenlijke is voor
onze richting op dat einddoel als schoonheid. Het is
het meest verhevene, waarin het esthetische en het ethische
convergeren en samenkomen.
Dit
zou dus betekenen dat als de mens zich dagelijks zou
omgeven met schoonheid, en wat is daarvoor beter geschikt
dan de buitenruimte, een stap nader tot het doel van
de zelfverwezenlijking gemaakt zou kunnen worden. Dan
dienen ontwerpers zich dus wel degelijk te bedienen van
de begrippen schoonheid en esthetiek in hun discipline.
Maar is dit voor een zo brede en onbekende gebruikersgroep
te realiseren? Wat zou dit oproepen?
Wat is de inhoud van een
schilderij?
Nog
niet zo lang geleden sneed een bezoeker in het Stedelijk
Museum van Amsterdam het monumentale schilderij van Barnett
Newman Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III aan
flarden. De dader kon de aanwezigheid van het werk niet
verdragen. Deze daad bracht de discussie op gang over
de inhoud of betekenis van dit schilderij. Of een dergelijk
schilderij louter de uitdrukking van een idee is, of
dat het ook een gevoel kan oproepen, en welk gevoel dan.
"In het schilderen is het mij erom te doen dat het schilderij de mens een
gevoel van plaats geeft: dat hij weet dat hij er is, zodat hij zich van zichzelf
bewust is." Deze woorden van Barnett Newman hanteert Renée van de
Vall als ijkpunt bij zijn boek Een subliem gevoel van plaats (2003).
Een filosofische interpretatie van het werk van Barnett Newman.
Zo
zien we de wereld, betoogde René Magritte in een
lezing in 1938 als commentaar op zijn versie van La
Condition Humaine, waarin een schilderij voor het
uitzicht dat het afbeeldt is gezet, zodanig dat ze alletwee
in elkaar overlopen en niet meer te onderscheiden zijn.
'We zien het als iets buiten onszelf, hoewel het alleen
een geestelijke voorstelling is van iets dat we innerlijk
ervaren.' Wat achter de vensterruit van ons begrip ligt
zegt Magritte, heeft een tekening (patroon) nodig voor
we de vorm ervan goed kunnen onderscheiden, laat staan
genoegen beleven aan de waarneming. En cultuur, conventie
en cognitie maken die tekening; verlenen de indruk op
ons netvlies de kwaliteit die wij als schoonheid ervaren.
Kunst
Net
zoals kunstenaars zouden architecten en ontwerpers van
de buitenruimte de durf moeten tonen om schoonheid vorm
te geven. In elk geval de ambitie moeten bezitten om
de mens te helpen en te leiden in zijn onbekende zoektocht
naar schoonheid. Veel plannen en ontwerpen bezitten die
schoonheid, maar er wordt niet over gesproken. Hoe kan
het grote publiek, de tuinbezitter, de park- en pleingebruiker,
de automobilist, de natuurwandelaar, de bosrecreant of
de stadstoerist ook maar een vermoeden hebben van schoonheid
als de makers ervan schromen erover te vertellen. Wie
niets van paddestoelen weet, ziet nooit paddestoelen.
Bij
de architectuur van de ruimte komen zoveel en zulke uiteenlopende
aspecten kijken, dat vergeleken met andere kunsten het
een terrein is waarop synesthesieën een complete
toepassing vinden.
Onze wereld evolueert naar een fase waarin de tuin- en landschapsarchitectuur
als de meest comprehensieve van alle kunsten kan beschouwd worden. Naast het
feit dat de mens de door hem verstoorde balans in de hem gegeven wereld zélf
terug kan herstellen, kan hij verder vorm geven aan zijn eigen bestemming door
een omgeving voor zichzelf te creëren die een projectie vormt van zijn
abstracte ideeën in de natuurlijke wereld. Dit zou een tuin- en landschapskunst
kunnen opleveren op een historisch nooit vertoonde schaal.
Michel Lafaille
december 2003 |