De Romantiek
overleeft
Een
stad verraadt haar ware aard in haar parken. We leven
in een tijd van postmodernisme, deconstructivisme, suprematisme
of eclecticisme. Zo ook in de parken. Barcelona heeft
Parc del Clot, Rotterdam het Museumpark, Tilburg het
Kromhout, Lyon het Gerland en Parijs La Villette.
Antwerpen kent sinds tientallen jaren geen nieuw park. De vele parken die de
stad telt zijn allen getransformeerde buitenplaatsen of ‘plaisantieën’,
opgenomen en verwerkt in het stedelijke weefsel van de agglomeratie op enkele
wat kleinere parkjes in het centrum na, indertijd als park aangelegd. Mooi
voorbeeld daarvan is het driehoekige Stadspark aan de Charlottalei, gelegen
aan de Joodse enclave. Men vindt ook wel enkele opengestelde tuinen, zoals
de Botanische tuin (den Botanique), maar allen dateren van lang terug.
Zelfs het Middelheimpark (zie TA 2003 nr. 2), het beeldenpark voor moderne
en hedendaagse beeldhouwkunst, vormt hierop geen uitzondering, ondanks de kleine
uitbreiding in een strakke vormgeving die recent plaatsvond. Nu staat voor
het eerst een nieuw park in de planning, de Konijnenweide aan de Ring, in een
ontwerp van Wirtz.
Is Antwerpen te streng in zijn beleid geweest? Is het toeval, geldgebrek of
gewoonweg geen behoefte?
Misschien
dat laatste. Mogelijk is Antwerpen een stad die juist
nood heeft aan parken die verwijzen naar romantiek, naar
stukken ‘echte’ natuur, die contrasteren
met het artificiële van de stad (zie ook het artikel ‘Een
stad van trouvailles’). De originaliteit van
de 20ste of 21ste eeuw kan hier niet concurreren met
de honderdjarige bomen die deze parken bieden. Rivierenhof,
Cogelspark, Den Brandt, Vogelenzang, Middelheim, Boelaer
of Boekenbergpark zijn als ruggengraatwervels waarbinnen
het romantische merg de weg leidt naar het hoofd, de
wereld van de Rede.
De
connotaties van het woord romantiek roepen bij parken
bekende begrippen op als natuur, rust, waterpartijen,
eenzame wandelaars, enzovoort. De natuur en het natuurlijke
zijn in feite het merg van de romantiek. In werkelijkheid
zijn de Antwerpse parken in de strikte zin niet puur
romantisch van opbouw. Het zijn collages en montages
van klassieke parken verrijkt met de Engelse landschapsstijl
en veel invloed van het Cartesiaanse Franse ‘La
belle Nature’. Maar in hun totaalbeeld geven ze
een indruk van Romantiek. Maar dan wel een Romantiek
die in beleving verwijst naar de Duitse schilder Caspar
David Friedrich (1774-1840), de meester van het sublieme. “Ik
moet me overgeven aan hetgeen me omgeeft, me verenigen
met de wolken en rotsen om te zijn wat ik ben” schreef
hij in 1821.
In
de schijnbare onschuld van deze romantische expressie
zijn evenwel ook de tegenwaarden zoals het kwaad en de
aantrekkingskracht van het seksuele, de extravagantie
en het decadente steeds aanwezig. De romantische wandeling
door het park wordt symbool voor een gewaagder excursie,
een tocht naar het eigen innerlijk en een zoeken over
het heden en de toekomst heen, naar dat wat ver weg ligt.
De aardse stad met haar geluiden en bewegingen die continue
en rechtstreeks verwijzen naar de strijd die wij voeren
in ons bestaan, naar de onmogelijkheid om de door ons
gestelde doelen en resultaten te bereiken, wordt in deze
parken ontkend en dat op een krachtige manier. Nu even
niet, zegt de betreder van het park. Laat me even heroriënteren,
bezinnen, nieuwe doelen stellen, nieuwe kracht verzamelen.
Wandelend
of dolend tussen verliefde paartjes, Japanse schijngevecht
beoefenaars, voetballende jongeren en krijsende kinderen,
verkent de stadsmens zijn possibiliteiten. Zometeen duikt
hij weer de stad in en wordt opgeslokt in de anonimiteit
van het grote-mensen-leven. Hier, in de aanschouwing
van de Romantiek, kan hij als een ware eclecticus weer
orde op zaken stellen in zijn streven om uit te kiezen
wat voor hem in motieven, stijlen of denkwijzen het beste
lijkt.
De nabijheid van andere wandelaars, -kompanen-, medebroeders in dit ritueel,
is als een bevestiging van deze geheime orde.
Michel Lafaille
mei 2004 |