Het sprookje
De bolle bomenhemel
Er
was eens, heel lang geleden, maar dan ook heel lang geleden,
een goede tovenaar. Er waren in die tijd geen slechte
tovenaars, want de oude slechte tovenaars waren allemaal
dood en de nieuwe slechte tovenaars moesten nog komen.
Ik weet niet juist waar die vandaan moesten komen, maar
dat doet er in dit verhaal niet toe.
Nou moet je niet denken dat daarom alles goed was. Er waren natuurlijk wel
slechte mensen want die zijn er altijd geweest. Het regende af en toe veel
te veel en er waren vulkanen en draken. Maar die woonden allemaal op een eiland,
dus dat was niet zo erg. Het ergste was, dat de mensen een beetje dom waren
in die tijd. Dat vonden de mensen zelf niet, maar de goede tovenaar wel. Hij
keek wel eens naar wat ze zo allemaal deden en moest dan zachtjes in zichzelf
lachen, zo dom vond hij het. Hij had zelfs een beetje medelijden met de mensen.
Maar omdat hij het zo druk had, zoals alle goede tovenaars het altijd druk
hebben, schonk hij verder geen aandacht aan de mensen. Hij liet ze maar doen.
Op een dag ging hij naar de rand van het bos, omdat hij daar dingen moest doen
die goede tovenaars altijd deden. Dat waren dingen waar zij nooit over wilden
praten en wij niet veel over weten, want wij zijn immers geen tovenaars. Laat
staan goede tovenaars. Ik weet wél, dat als de goede tovenaars die dingen
niet zouden doen, dat alles dan anders zou zijn. Hoe weet ik niet precies,
maar wel anders. Anders dan nu, zeg maar.
Terwijl Fladgan, want zo heette de goede tovenaar, dichter bij de rand van
het bos kwam, hoorde hij in de verte een droevig gezang. Zo droevig, dat zelfs
een tovenaar het droevig vond.
Dat kan geen mens zijn die daar zingt, dacht Fladgan, want mensen zijn nooit
droevig, die doen alleen maar domme dingen.
Nieuwsgierig liep hij een stukje het bos in en dat is voor een goede tovenaar
heel bijzonder, want die komen nooit in het bos. Net zoals alle goede tovenaars
hield Fladgan van licht en lucht, van witte wolken en groene weilanden. Fladgan
had alles lief wat open en zichtbaar was, eerlijk en kwetsbaar. Hij was geen
tovenaar voor de bergen of de bossen, de heuvellanden of de wouden. Dat was
meer iets voor kluizenaars. Maar die kunnen niet toveren en Fladgan wel.
Stapje voor stapje ging hij dieper en dieper tussen de bomen door. Hij vond
dit zingen zo mooi dat hij vergat waar hij was. Hij zag de donkerte van het
bos niet en hij voelde de schaduwen van de bomen niet. Hij hoorde het kraken
van de takken niet, noch het gefluister van de kruinen. Fladgan had alleen
maar oor voor het wonderdroevige lied waar hij de woorden niet van verstond,
in een taal die hij niet kende. Hij zocht zijn weg tussen de alsmaar dikkere
stammen, op zoek naar de bron van deze onbekende klanken. De muziek lokte hem
ongewild verder het bos in, tot zelfs daar waar nog nooit een tovenaar was
geweest. Onder deze reuzenbomen, waar in de toppen honderden eekhoorns konden
wonen, werd het diep donker. Tot Fladgan in de verte een lichte plek zag verschijnen
waar de trieste tonen vandaan leken te komen.
Het licht daar kwam van de zon die volop scheen in deze open plek in het woud,
want dit kon je geen bos meer noemen. Aarzelend kwam Fladgan dichterbij, tot
aan de laatste bomen. De stem zweeg en alles werd stil.
Fladgan merkte nu pas dat er geen ander geluid te horen was en dat zelfs de
vogels zwegen.
Wie zong daar zo mooi, vroeg hij met een wat aarzelende stem, zoals goede tovenaars
kunnen spreken als ze een beetje zenuwachtig zijn.
Maar het bleef stil.
Mijn naam is Fladgan, sprak hij weer, ik ben gekomen om naar u te luisteren.
Of riep u mij misschien met uw zoetmooie stem?
En toen, zo plots als plots maar kan zijn, stond er een klein wezentje voor
de tovenaar. Niet groter dan een mensenkindje maar met een mooi oud gezicht.
Zo oud als de bomen, dacht Fladgan.
Het mannetje, want het leek een mannetje, kwam amper tot aan Fladgans knieën.
Het volgende ogenblik was het weer verdwenen om dan weer plots, zo plots als
plots maar kan zijn, op een boomstronk te verschijnen.
Mijn naam is Faun, sprak het mannetje. Zijn stem was wreed en teder tegelijk.
Hij keek heel fel maar zijn ogen waren zacht.
Ik heb u inderdaad geroepen goede tovenaar, ging het mannetje verder, om u
te vragen ons te helpen. Over uw wijsheid wordt veel gesproken en uw raad heeft
velen geholpen. U bent Fladgan, de goede tovenaar en daarom vraag ik uw tovenaarskracht
ter hulp.
Vertel mij dan, mijn kleine vriend, wat kan ik voor u doen, vroeg de tovenaar,
want uit mijn boeken weet ik dat een Faun heel trots is en nimmer om hulp vraagt.
Och, voor mij niet zo veel, antwoordde het ventje, want ik ben in dit woud
heel gelukkig en met mij hier alle bomen die u ziet. Maar in het mensenland
gaat het niet goed met mijn vrienden de bomen. De mensen kappen ze om. Ze gooien
de bomen in het vuur om het langer te laten branden of zagen planken uit hun
stam. Ze mismaken ze tot vreemde figuren om er vruchten af te halen of vervormen
ze tot een stoel of een kruis. Er blijft niets van ze over.
Ja, dat heb ik gezien, moest de tovenaar bekennen, maar ik heb er niet bij
nagedacht. Je hebt gelijk Faun, de bomen moeten kunnen blijven bestaan. Maar
aan het mensenwerk kan ik niets veranderen, daar zijn zelfs wij tovenaars niet
toe in staat. Wel zal ik de bomen verder laten leven in een wereld die de mensen
niet verstaan. Ik maak een bomenhemel waar alle bomen naar toe kunnen gaan.
Als zwevende bollen zullen zij zich in hun mooiste vorm voor altijd voortbewegen
in de gedachten van ieder die van ze hield. Dat beloof ik je.
De goede tovenaar sloeg met zijn staf en sprak iets wat wij nooit mogen horen.
En sinds die dag kun je soms, als je heel erg goed kijkt en je hand voor de
zon houdt, tussen de gouden stralen kleine bollen zien zweven...
Michel Lafaille
februari 2004 |