Enkele teksten:
 Una giornata particolare a Lago di Como (Aprile 2005)
 La couleur n' existe pas... (Décembre 2004)
 Die Trägheit Mallorcas (August 2004)
 The quest for beauty (December 2003)

 

Daar is zij dan, de openbare ruimte (september 2006)
De groene reuzen van Brussel (maart 2006)
Drie musea van Frank O. Gehry (dec 2005)
Het geheim van het bosje (mei 2005)
Una giornata particolare a Lago di Como (april 2005)
A van Antwerpen (mei 2004)
De Wirtz familie (mei 2004)
Stad van Trouvailles (mei 2004)
De onschuld van de rivier (mei 2004)
De romantiek overleeft (mei 2004)
De Waal (april 2004)
Santhagens in Amsterdam: Pictures at an Exhibition (maart 2004)
Het dogma van het perspectief (maart 2004)
Henk van Os - Het Russische Landschap (maart 2004)
De straat (maart 2004)
De kunst van het reizen (februari 2004)
Parc Georges Brassens (februari 2004)
Leren van het kiekje (februari 2004)
Het sprookje (februari 2004)
De zitplek (februari 2004)
B van Barcelona (februari 2004)
De tederheid: New York (januari 2004)
Tijd & Ruimte: Het Loo (december 2003)
De queeste voor schoonheid (december 2003)
De andere kant van het meer (juni 2003)
De lijn (juni 2003)
Lodewijk Baljon (mei 2003)
Starck in Parijs... een knock-out (april 2003)
De muur (april 2003)
50 Ways to meet Madrid (april 2003)
Nils Udo (maart 2003)
Over beleven (maart 2003)
De trap (februari 2003)

De straat

In 1988 maakte de legendarische Italiaanse filmproducent Carlo Ponti een televisieserie waarin zijn boven alle schoonheid verheven echtgenote Sophia Loren de hoofdrol van Mamma Lucia speelde: ‘The Fortunate Pelgrim’. Het script was gebaseerd op een boek van Mario Puzo, die ook The Godfather, The Sicilian, Eartquake, Colombus en Superman schreef. De openingsscène van alle afleveringen was –in mijn huidige herinnering– een langdurig camerashot vanuit vogelperspectief van een dichtbehuisde straat aan de Hudson in New York. Het was een avondbeeld. Weinig straatlantaarns. Vanuit alle ramen vloeit licht naar buiten, er lopen massa’s mensen kriskras door de straat, kinderen zijn nog op; en dan een plotse apotheose in de bewegingen: men wijst, men draait zich om, men neemt een positie in, enkele jongens durven nog snel over te lopen want vanuit de bocht van de straat, tussen de 5 lagen hoge huizen verschijnt stampend een treinlocomotief, met spuwende stoomwolken en een man met rode vlag ervoor. De trein rijdt dwars door de straat, de mensen juichen en zwaaien, vol van een geluksgevoel deel uit te maken van de nieuwe tijd, de nieuwe wereld die in hun straat zijn vorm vindt. De stem van Luciano Pavaroti zingt smachtend en melancholisch het bekende lied uit de opera Caruso:
Te vojo bene assai/ ma tanto tanto bene sai/ e' una catena ormai/ che scioglie il sangue dint'e vene sai...

Daar zat ik helemaal alleen voor de televisie, waar ik niet wou zitten. Ik wou dáár zijn, ín de televisie, ín de film, ín die straat, ín die avond. Dat gevoel werd de volgende week alleen maar sterker want alle dagen had ik, in afwachting van dat beeld welk in de volgende aflevering weer verschijnen zou, alle straten waar ik doorheen kwam vergeleken, afgewogen en verworpen. Geen enkele straat straalde die warmte uit, zond die sensatie uit van wat ik als echte straat was gaan verklaren. Als ik vandaag het woord straat hoor, zie ik die majestueuze scène met de trein opnieuw, telkens weer. Zo moet een straat zijn, levend en volbloedig, doorsneden door de vooruitgang, van ons en toch op weg naar morgen, vol hoop op wat komen zal, vol veiligheid voor nu en vol heimwee naar wat nooit meer zal zijn. Dat zit allemaal verweven in het woord straat. Dat mooie woord straat, afkomstig uit het Latijnse strata (geplaveide weg).
De exotische klank van ‘la strada’ heeft een hoop magie in zich en zo ook in haar betekenis: de straat, de baan, de weg, de route. Denk aan Federico Fellini’s film La Strada over een rondtrekkend circus met Anthony Quinn en Giulietta Masina (net iets minder boven alle schoonheid verheven).

Laten we voor de duidelijkheid een groot verschil aangeven welk in de taalkunde heeft plaatsgevat tussen de woorden de weg (sinds 901) en de straat (sinds 1210). De weg biedt ons een handreiking, een mogelijkheid om weg te gaan, te vertrekken. De weg symboliseert ook de route die men moet gaan, zo mooi verwoord in het lied van de Hobbits in het epos In de ban van de Ring van J.R.R. Tolkien:
 De weg gaat verder eindeloos
 Vanaf de deur waar hij begon
 Ik moet hem volgen, rusteloos,
 tot ver achter de horizon
De Beatles gaven daar een draai aan in ‘The long and winding road’, die náár de deur leidt en niet er vandaan. Bovendien bleek het háár deur te zijn. Het avontuur was gestorven.

De straat niettemin is een thuiskomen, een herkenning, een plaats waar de dingen die in ons leven horen, aanwezig kunnen zijn en betekenis krijgen. In de Franse orthologie wordt la rue frequent gebruikt als plaatsaanduiding voor wensen of dromen. Piaf, Aznavour, Montand, Becaud, ze hebben allen over la rue gezongen en overbekend van het Eurovisie songfestival is Un banc, un arbre ou une rue, waarin verklaard wordt dat die dingen zijn die ons een collectieve herinnering verschaffen die wij allen gemeen hebben, hoe verschillend wij ook zijn.
Ze hoeven niet allemaal zo spectaculair te zijn, de straten, zoals de eerder vermelde straat uit de televisieserie. Ze mogen ook saai zijn, van alledaagsheid haast onzichtbaar, zoals de Argentijnse dichter en schrijver Jorge Luis Borges ze beschrijft in Las calles de Buenos Aires: ze houden een belofte in omdat er ontelbare onvervangbare zielen wonen, uniek voor God en in de tijd en stellig waardevol.

Linguïstisch staan weg en straat dus recht tegenover elkaar: vertrekken of thuiskomen. De weg leidt de verplaatsing, de straat herbergt de beweging; de weg is katalysator en bevordert een zeker proces of verloop, de straat is ontvanger en sedimenteert het leven.
In de huidige stedenbouw en planologie worden deze twee woorden als begrippen nogal eens verward. Men maakt straten in nieuwbouwwijken waar niemand in wil thuiskomen, eenvoudigweg omdat ze niet het gevoel van een thuis uitstralen, geen betekenis geven: ze blijven anoniem en daardoor ongastvrij. Er wordt weinig aandacht gegeven aan de nieuwe straten. Daarentegen gaat alle attentie naar de weg. Men maakt wegen waar iedereen uren in moet verblijven, zoals de snelweg, de ringweg, de rondweg, het liefst gelijk kant-en-klaar met volwassen bomen en geluidsschermen, maar die door hun voorspelbaar karakter niet meer die geheimzinnigheid bezitten om in aanmerking te komen voor het begrip route. De route is uit onze wereld verdwenen, hoogstens vindt men hem nog in de bergen van Afghanistan. Hoort u nog een treinconducteur of een automobilist op de A2 met zwierig armgebaar en fiere stem En route roepen? De route du soleil, de postroute, de zijderoute, ze zijn verdwenen, enkel terug te vinden in de Michelingids. Wie kent nog een smokkelroute of een strada de vino? Maar dat is een ander verhaal dat een andere keer verteld moet worden.
In plaats daarvan hebben we de woonboulevard, de groenstraat, de Shopping Mall, de meubelstraat, de Koopgoot gekregen. De gezelligheid en herkenbaarheid van de eigen straat is in een gedwongen krampachtigheid naar dit soort straten verlegd. Maar het lukt niet. Het publiek, de gebruikers van deze openbare ruimte, wordt als vee behandeld, loopt met dazige ogen rond en keert misdeeld naar huis terug, waar men in opperste nood iedere sportgebeurtenis aangrijpt om de straat te versieren, hongerig naar iets eigens, hunkerend naar het zelf: Wij willen onze straten terug! De doe-het-zelf-cultuur bloeit op in buurtbarbecues en spontane straatfeesten. De mensen hoeven alleen maar op het straatfeest te verschijnen om er passief of actief aan deel te nemen. Het is burgerlijke ongehoorzaamheid aan de planologen en stedenbouwers: la fête permanente…Was het niet in de straten dat mei 68 zich afspeelde, of de Praagse Lente?

Een ander bewijs van deze behoefte levert ons de hodonymie, de leer van de straatnamen. De cultuurfilosoof George Steiner verklaarde in zijn lezing ‘The idea of Europe’ voor het Nexusinstituut afgelopen november, in een van zijn vijf axioma’s over Europa dat wij alle straten
een naam geven die verwijst naar onze geschiedenis. Geen Sunset Boulevard of Route 66 of 42nd Street in Europa. Deze hang naar eigenwaarde geeft aan dat wij zélf de straat willen zijn en bewijst hoezeer wij ons er mee verbonden voelen. Interessant hierbij te vermelden is dat men in het stadsarchief van bijvoorbeeld Antwerpen zijn voorvaders niet alleen kan opzoeken in het geboorteregister maar ook in de archieven van de straatnamen waar zij gewoond hebben.

In onze beschouwing over de straat zijn we bij het punt aangeland om ons analyserend af te vragen waar de straat voor ons heden ten dage zoal voor staat. In de eerste plaats categoriseren wij de straat onder de openbare ruimte, immers iemand op straat zetten, wil figuurlijk zeggen dat iemand buiten ons privé-bestaan wordt geplaatst. De straat fungeert ook als plaatsbepaler als moeder zegt: ga op straat spelen. Dat is niet in huis of tuin, maar ook weer niet zo ver weg als park of speeltuin. De straat is in moeders verwijzing nog steeds een gedeelte van de woning, een plaats die onder haar gezag valt. Tegelijkertijd zien we de straat als verkeersgebied als moeder waarschuwt: voorzichtig op straat! Zij alarmeert niet over vieze mannen maar over niets ontziende automobilisten.
Verder hebben we geconstateerd dat de straat drager is van sferen, zowel in de positieve als de negatieve zin en dat die sferen het verloop der tijd in zich meedragen (Zo oud als de straat). In combinatie hiermee wordt de straat ook gezien als culturele identiteit (Heb je dat op straat geleerd) die ons de basiswaarden en de regels van het grote spel leren, in tegenstelling tot de opvoeding die hieraan een beschavingslaagje zal toevoegen. De straat is ook ruimtelijke eenheid, wij kunnen zeggen dat iemand in een vriendelijke of verwaarloosde straat woont. Hiermee geven we tevens aan dat we de straat zien als adres: mijn tante woont in de Wim Kokstraat 65. Daarmee is die tante onderdeel geworden van een bepaalde groep: die van de Wim Kokstraat en die groep kan gezamenlijk iets vinden of een standpunt innemen (in onze straat vinden we het niet gepast om het wasgoed buiten te hangen).

Ten slotte refereert de straat in samenstellingen of gezegden aan een historisch perspectief. Dat gaat niet zozeer gepaard met nostalgie of terugverlangen, het is meer een constatering. Herman van Veen vangt in zijn radiohit Hilversum III aan met de woorden: Vroeger werd gezongen en gefloten in de straat... Dat appelleert aan de straatzanger en -muzikant, de straatventer, de straatfiguur, het straatmadeliefje, de straatfotograaf, het straatorgel, de straatprediker. Ze komen niet veel meer voor, maar het zijn warme verwijzingen. Ze hebben een menselijke maat.

De straat verdient een lofrede. Een pleidooi gezamenlijk door koningen en koninginnen uitgesproken, een hymne die tegelijk gezongen wordt door alle kinderen op alle scholen en rechtstreeks in Eurovisie wordt uitgezonden. Advocaten moeten ervoor pleiten, filosofen erover spreken en poëten erover dichten terwijl alle stratenmakers en voddenboeren in corps de ballet dansen zoals de schoorsteenvegers in Mary Poppins. Tegen het straatgeweld en het straatkabaal, tegen de anonieme straat, tegen de productiestraat.

Michel Lafaille
maart 2004

$nbsp;