De straat
In
1988 maakte de legendarische Italiaanse filmproducent
Carlo Ponti een televisieserie waarin zijn boven alle
schoonheid verheven echtgenote Sophia Loren de hoofdrol van Mamma
Lucia speelde: ‘The Fortunate Pelgrim’.
Het script was gebaseerd op een boek van Mario Puzo,
die ook The Godfather, The Sicilian, Eartquake, Colombus
en Superman schreef. De openingsscène van alle
afleveringen was –in mijn huidige herinnering– een
langdurig camerashot vanuit vogelperspectief van een
dichtbehuisde straat aan de Hudson in New York. Het was
een avondbeeld. Weinig straatlantaarns. Vanuit alle ramen
vloeit licht naar buiten, er lopen massa’s mensen
kriskras door de straat, kinderen zijn nog op; en dan
een plotse apotheose in de bewegingen: men wijst, men
draait zich om, men neemt een positie in, enkele jongens
durven nog snel over te lopen want vanuit de bocht van
de straat, tussen de 5 lagen hoge huizen verschijnt stampend
een treinlocomotief, met spuwende stoomwolken en een
man met rode vlag ervoor. De trein rijdt dwars door de
straat, de mensen juichen en zwaaien, vol van een geluksgevoel
deel uit te maken van de nieuwe tijd, de nieuwe wereld
die in hun straat zijn vorm vindt. De stem van Luciano
Pavaroti zingt smachtend en melancholisch het bekende
lied uit de opera Caruso:
Te vojo bene assai/ ma tanto tanto bene sai/ e' una catena
ormai/ che scioglie il sangue dint'e vene sai...
Daar
zat ik helemaal alleen voor de televisie, waar ik niet
wou zitten. Ik wou dáár zijn, ín
de televisie, ín de film, ín die straat, ín
die avond. Dat gevoel werd de volgende week alleen maar
sterker want alle dagen had ik, in afwachting van dat
beeld welk in de volgende aflevering weer verschijnen
zou, alle straten waar ik doorheen kwam vergeleken, afgewogen
en verworpen. Geen enkele straat straalde die warmte
uit, zond die sensatie uit van wat ik als echte straat
was gaan verklaren. Als ik vandaag het woord straat hoor,
zie ik die majestueuze scène met de trein opnieuw,
telkens weer. Zo moet een straat zijn, levend en volbloedig,
doorsneden door de vooruitgang, van ons en toch op weg
naar morgen, vol hoop op wat komen zal, vol veiligheid
voor nu en vol heimwee naar wat nooit meer zal zijn.
Dat zit allemaal verweven in het woord straat. Dat mooie
woord straat, afkomstig uit het Latijnse strata (geplaveide
weg).
De exotische klank van ‘la strada’ heeft een hoop magie in zich
en zo ook in haar betekenis: de straat, de baan, de weg, de route. Denk aan
Federico Fellini’s film La Strada over een rondtrekkend circus
met Anthony Quinn en Giulietta Masina (net iets minder boven alle schoonheid
verheven).
Laten
we voor de duidelijkheid een groot verschil aangeven
welk in de taalkunde heeft plaatsgevat tussen de woorden
de weg (sinds 901) en de straat (sinds
1210). De weg biedt ons een handreiking, een mogelijkheid
om weg te gaan, te vertrekken. De weg symboliseert ook
de route die men moet gaan, zo mooi verwoord in het lied
van de Hobbits in het epos In de ban van de Ring van
J.R.R. Tolkien:
De weg gaat verder eindeloos
Vanaf de deur waar hij begon
Ik moet hem volgen, rusteloos,
tot ver achter de horizon
De Beatles gaven daar een draai aan in ‘The long and winding road’,
die náár de deur leidt en niet er vandaan. Bovendien bleek het
háár deur te zijn. Het avontuur was gestorven.
De
straat niettemin is een thuiskomen, een herkenning, een
plaats waar de dingen die in ons leven horen, aanwezig
kunnen zijn en betekenis krijgen. In de Franse orthologie
wordt la rue frequent gebruikt als plaatsaanduiding
voor wensen of dromen. Piaf, Aznavour, Montand, Becaud,
ze hebben allen over la rue gezongen en overbekend
van het Eurovisie songfestival is Un banc, un arbre
ou une rue, waarin verklaard wordt dat die dingen
zijn die ons een collectieve herinnering verschaffen
die wij allen gemeen hebben, hoe verschillend wij ook
zijn.
Ze hoeven niet allemaal zo spectaculair te zijn, de straten, zoals de eerder
vermelde straat uit de televisieserie. Ze mogen ook saai zijn, van alledaagsheid
haast onzichtbaar, zoals de Argentijnse dichter en schrijver Jorge Luis Borges
ze beschrijft in Las calles de Buenos Aires: ze houden een belofte in omdat
er ontelbare onvervangbare zielen wonen, uniek voor God en in de tijd en stellig
waardevol.
Linguïstisch
staan weg en straat dus recht tegenover elkaar: vertrekken
of thuiskomen. De weg leidt de verplaatsing, de straat
herbergt de beweging; de weg is katalysator en bevordert
een zeker proces of verloop, de straat is ontvanger en
sedimenteert het leven.
In de huidige stedenbouw en planologie worden deze twee woorden als begrippen
nogal eens verward. Men maakt straten in nieuwbouwwijken waar niemand in wil
thuiskomen, eenvoudigweg omdat ze niet het gevoel van een thuis uitstralen,
geen betekenis geven: ze blijven anoniem en daardoor ongastvrij. Er wordt weinig
aandacht gegeven aan de nieuwe straten. Daarentegen gaat alle attentie naar
de weg. Men maakt wegen waar iedereen uren in moet verblijven, zoals de snelweg,
de ringweg, de rondweg, het liefst gelijk kant-en-klaar met volwassen bomen
en geluidsschermen, maar die door hun voorspelbaar karakter niet meer die geheimzinnigheid
bezitten om in aanmerking te komen voor het begrip route. De route
is uit onze wereld verdwenen, hoogstens vindt men hem nog in de bergen van
Afghanistan. Hoort u nog een treinconducteur of een automobilist op de A2 met
zwierig armgebaar en fiere stem En route roepen? De route du soleil,
de postroute, de zijderoute, ze zijn verdwenen, enkel terug te vinden in de
Michelingids. Wie kent nog een smokkelroute of een strada de vino? Maar dat
is een ander verhaal dat een andere keer verteld moet worden.
In plaats daarvan hebben we de woonboulevard, de groenstraat, de Shopping Mall,
de meubelstraat, de Koopgoot gekregen. De gezelligheid en herkenbaarheid van
de eigen straat is in een gedwongen krampachtigheid naar dit soort straten
verlegd. Maar het lukt niet. Het publiek, de gebruikers van deze openbare ruimte,
wordt als vee behandeld, loopt met dazige ogen rond en keert misdeeld naar
huis terug, waar men in opperste nood iedere sportgebeurtenis aangrijpt om
de straat te versieren, hongerig naar iets eigens, hunkerend naar het zelf:
Wij willen onze straten terug! De doe-het-zelf-cultuur bloeit op in buurtbarbecues
en spontane straatfeesten. De mensen hoeven alleen maar op het straatfeest
te verschijnen om er passief of actief aan deel te nemen. Het is burgerlijke
ongehoorzaamheid aan de planologen en stedenbouwers: la fête permanente…Was
het niet in de straten dat mei 68 zich afspeelde, of de Praagse Lente?
Een
ander bewijs van deze behoefte levert ons de hodonymie,
de leer van de straatnamen. De cultuurfilosoof George
Steiner verklaarde in zijn lezing ‘The idea of
Europe’ voor het Nexusinstituut afgelopen november,
in een van zijn vijf axioma’s over Europa dat wij
alle straten
een naam geven die verwijst naar onze geschiedenis. Geen Sunset Boulevard of
Route 66 of 42nd Street in Europa. Deze hang naar eigenwaarde geeft aan dat
wij zélf de straat willen zijn en bewijst hoezeer wij ons er mee verbonden
voelen. Interessant hierbij te vermelden is dat men in het stadsarchief van
bijvoorbeeld Antwerpen zijn voorvaders niet alleen kan opzoeken in het geboorteregister
maar ook in de archieven van de straatnamen waar zij gewoond hebben.
In
onze beschouwing over de straat zijn we bij het punt
aangeland om ons analyserend af te vragen waar de straat
voor ons heden ten dage zoal voor staat. In de eerste
plaats categoriseren wij de straat onder de openbare
ruimte, immers iemand op straat zetten, wil figuurlijk
zeggen dat iemand buiten ons privé-bestaan wordt
geplaatst. De straat fungeert ook als plaatsbepaler als
moeder zegt: ga op straat spelen. Dat is niet in huis
of tuin, maar ook weer niet zo ver weg als park of speeltuin.
De straat is in moeders verwijzing nog steeds een gedeelte
van de woning, een plaats die onder haar gezag valt.
Tegelijkertijd zien we de straat als verkeersgebied als
moeder waarschuwt: voorzichtig op straat! Zij alarmeert
niet over vieze mannen maar over niets ontziende automobilisten.
Verder hebben we geconstateerd dat de straat drager is van sferen, zowel in
de positieve als de negatieve zin en dat die sferen het verloop der tijd in
zich meedragen (Zo oud als de straat). In combinatie hiermee wordt de straat
ook gezien als culturele identiteit (Heb je dat op straat geleerd) die ons
de basiswaarden en de regels van het grote spel leren, in tegenstelling tot
de opvoeding die hieraan een beschavingslaagje zal toevoegen. De straat is
ook ruimtelijke eenheid, wij kunnen zeggen dat iemand in een vriendelijke of
verwaarloosde straat woont. Hiermee geven we tevens aan dat we de straat zien
als adres: mijn tante woont in de Wim Kokstraat 65. Daarmee is die tante onderdeel
geworden van een bepaalde groep: die van de Wim Kokstraat en die groep kan
gezamenlijk iets vinden of een standpunt innemen (in onze straat vinden we
het niet gepast om het wasgoed buiten te hangen).
Ten
slotte refereert de straat in samenstellingen of gezegden
aan een historisch perspectief. Dat gaat niet zozeer
gepaard met nostalgie of terugverlangen, het is meer
een constatering. Herman van Veen vangt in zijn radiohit
Hilversum III aan met de woorden: Vroeger werd gezongen
en gefloten in de straat... Dat appelleert aan de straatzanger
en -muzikant, de straatventer, de straatfiguur, het straatmadeliefje,
de straatfotograaf, het straatorgel, de straatprediker.
Ze komen niet veel meer voor, maar het zijn warme verwijzingen.
Ze hebben een menselijke maat.
De
straat verdient een lofrede. Een pleidooi gezamenlijk
door koningen en koninginnen uitgesproken, een hymne
die tegelijk gezongen wordt door alle kinderen op alle
scholen en rechtstreeks in Eurovisie wordt uitgezonden.
Advocaten moeten ervoor pleiten, filosofen erover spreken
en poëten erover dichten terwijl alle stratenmakers
en voddenboeren in corps de ballet dansen zoals de schoorsteenvegers
in Mary Poppins. Tegen het straatgeweld en het straatkabaal,
tegen de anonieme straat, tegen de productiestraat.
Michel Lafaille
maart 2004 |