Stad van
trouvailles
Een
trouvaille is een vondst, een bij toeval gevonden of
ontmoette onverwachtheid. Een trouvaille is altijd gelukkig.
Trouvaille is een van de meest positieve woorden die
er bestaan. De trouvaille maakt ons voorspoedig en fortuinlijk,
althans in geestelijk opzicht, aangezien wij vóór
het vinden van de trouvaille nog niet eens op de hoogte
waren van het bestaan ervan. Wij dachten dat het geluk
zijn grenzen had en zie... daar opent zich weer een nieuw
perspectief op onze zaligheid. De staat van het hoogste
geluk lijkt toch verder te liggen dan wij vermoedden
en dat geeft ons de kracht en de energie, ook de lust,
om weer verder te vorsen naar nieuwe trouvailles.
Antwerpen
is een stad van trouvailles. Nou zijn vele steden dat,
maar meestal zijn ze al voorgekauwd en zijn de trouvailles
eerder bevestigingen van wat men al veronderstelde of
had gegist. Ze openen de geest niet meer, hebben geen
betekenisontwikkeling meer. We zijn niet verbaasd, we
ontmoeten geen ongekende.
Antwerpen
is op dit gebied als een roterende revolver. Onophoudelijk
schieten beelden op ons af die geen verwantschap tonen
met de vorige. Er is geen systeem, er is geen groepering.
Het is soms een ongekende kleur, een lichtweerspiegeling
of een compositie van structuren; dan weer een verstild
doorkijkje, een citaat uit het verleden. In de drukste
winkelstraat, de Meir (moeras), ligt een metersgrote
hand op straat. Langs de kaaien van de Schelde loopt
een eenzame matroos onder een bloeiende kersenboom. Achter
de schouwburg huist de melancholische tijdsverstilling
van een klassieke kunstproeverij, bij de stadsbibliotheek
zit Conscience (de man die zijn volk leerde lezen) met
naast hem zijn levend evenbeeld. Koel modern blauw versterkt
het lijdensverhaal van de man aan het kruis, het reclamebord
vertelt dat ‘onmogelijkheid’ geen feit is
maar een mening. Het circus is in de stad, op de namiddagkermis
dwalen wat mensen zonder geld.
Het zijn beelden die voor altijd blijven hangen, die getuigen van de levendigheid
van de stad. Geen modern stedenbouwkundig plan kan met deze mengelmoes instemmen,
want hij is per straat in deze stad verschillend. Schrik niet als u een straathoek
omslaat, u kunt zomaar vier eeuwen in de tijd teruggezet zijn om na de volgende
hoek pardoes tussen de terrassen te staan vol genieters van de eerste zonnestralen
met heldere bierkelken op de tafels, terwijl u dacht aan uw eerste koffie van
de dag.
Het
zijn geen producten van ontwerp, maar ‘toevalligheden’ en
dat verschil speelt in allerlei contexten een belangrijke
rol. Het zijn geen intenties met voorbedachten rade (zoals
bijvoorbeeld in de christelijke religie God de mens heeft
geschapen) maar eerder een vorm van toeval met een grote
noodzakelijkheid. Daarom zijn ze zo fascinerend. Deze
beelden of impressies komen als artefacten over, ze zijn
gemaakt door mensen, maar niet met het voornemen om die
impact op anderen te hebben. We zweven hier in een dimensie
van niet-bedoeld-zijn maar toch aanwezig-met-effect.
Artefacten zijn geen natuur en toch stroomt hier een
vanzelfsprekende natuurlijkheid door het beeld. Immers,
de ontwerper die de Japanse kersenboom aan de oever van
de Schelde in zijn plan intekende (het idee alleen al
is absurd en krankzinnig), had absoluut geen mentale
voorstelling van het feit dat in de verre toekomst de
boom op een wel bepaalde manier in bloei zou staan met
dat kenmerkende zonnelicht erop, terwijl een verdrietige
matroos, die reeds veertig jaar continue van huis is
en specifiek die dag, op dat uur, door heimwee overvallen,
eronderdoor zou lopen, terwijl welgerekend de fotograaf
van bovenaf een foto maakt van deze samenstelling, net
op die honderdste van een seconde op die welbewuste dag,
zodat het gezicht van de matroos onherkenbaar en dus
eervol niet in beeld zou zijn.
De
stad biedt dus beelden van een noodzakelijke coïncidentie.
Deze aard van beelden is ook terug te vinden in de morfologie
van de stad zelf, in de architectuur, de opengebleven
ruimtes, de a-chronologische rangschikking van de gebouwen.
De vorm en de leegte wisselen elkaar af, stoten elkaar
aan, draaien om elkaar heen, maar heersen nooit in een
harmonie en geven daardoor geen rust. Het lijkt alsof
men permanent in een ‘Hollywoodiaans’ filmdecor
rondwandelt. Dat gevoel wordt nog versterkt doordat de
meeste huizen een parmantige voorkant hebben maar aan
de achterkanten geen aandacht is besteed en bij afwezigheid
van een aangrenzend gebouw de uitstraling van tijdelijkheid
al helemaal om aandacht roept. Het geeft iets onwaarachtigs,
het gevoel alsof het uiteindelijke stadium nog niet is
bereikt. Negatief gesproken kan men stellen: het is niet
af. Positief is dat eigenlijk een kracht op zich, men
vertoeft continue in een voortgang, in een voortdurende
staat van verwezenlijking.
In
het centrum van dat alles staat Rubens. Pieter Paul.
Het in brons gegoten voorbeeld voor alle stadsbewoners.
De man die bewees dat Antwerpen het centrum van de wereld
was, een seigneur die geraffineerd was in de diplomatie
en de schilderkunst. Rijk, gerespecteerd aan alle hoven,
kenner van de klassieken, genieter van het leven. De
megalomanie van de Sinjorenstad wordt hierin bevestigd.
Het is dit jaar Rubensjaar en de stad is bedolven onder
activiteiten, tentoonstellingen en wandelroutes. Maar
daarin geen trouvailles. Nee, men moet zelf door die
honderden straten dolen om onverwachts oog in oog te
staan met nieuwe heerlijkheden. Volg de Antwerpse zanger
Wannes van de Velde in zijn lied: “Ik wil deze
nacht in de straten verdwalen / de klank van de stad
maakt mijn ziel amoureus / al heb ik geen geld om plezier
te betalen / ik vind wel een vrouwke heel net en genereus”.
Ach,
die Antwerpse straten. Smal en geheimzinnig, waardoor één
kant in de zon en één kant in de donkere
schaduwen. Met hun confituur van huizen, zo divers en
rijk geschakeerd. Soms verfijnd in hun details, dat ze
haast lijken op het zuiverste kantwerk waarin het licht
vastgezogen zit, dan weer boers en onbeschaamd, een platitude
van een bierbrouwerij. Maar altijd geven ze een thuisgevoel
aan de dolaard, aan hen die houden van het ietwat geheimzinnige
rondzwerven, zij die houden van het onverwachte en openstaan
voor de kleine schoonheden die dan plots in al hun weerloosheid
verschijnen: de trouvailles.
Michel Lafaille
mei 2004 |