De Waal
1 – Zomerzotheid
Een
paar jaar geleden reed ik met een groep Portugese studenten
landschapsarchitectuur per touringcar rond op excursie
door het Nederlandse Rivierenland. Alles ging goed, tot
de grote bus in een bocht van 90 graden een steil pad
omhoog de dijk opreed. Hilariteit alom bij de Portugese
studenten die nog nooit op een dijklichaam hadden gereden,
zo hoog boven het landschap verheven en scandeerden dat
ze de route verder te voet wilden af leggen. Op dat moment
besefte ik andermaal de ware betekenis van een ‘dijk’.
Ik werd in de rol van verteller geduwd en ze vroegen
me honderduit over rivierdijken. Waarom woonden wij onderaan
de dijk en niet erop? Wat was het verschil tussen dát
weiland met zwart-witte koeien en dát weiland
met Galloways? Wat waren die grote fabrieken in de uiterwaarden?
Honderden vragen waar ik maar voor de helft antwoord
op kon geven.
Ik vertelde over de dijkdoorbraken, de cultuurhistorische waarden, de schilders,
de beleving, de dijk als tribune voor het toneel van het rivierenlandschap
en over tientallen andere aspecten.
Maar waarom is er geen relatie tussen dijk en nederzetting, vroegen ze? Waarom
zijn er niet meer functies aan de dijken gekoppeld? Waarom is de architectuur
van de dijkwoningen niet terug te vinden in hedendaagse gebouwen? Wel, zei
ik..., omdat er nog veel te doen is. De Portugezen lachten om mijn onnozelheid
en dansten op de dijk. Ze begroetten de wielrenners, zwaaiden naar de auto’s,
zongen voor de reclamekoe en schetsten de wildste Picasso’s. Ik zat stilletjes
in de bus.
2 – Beeld
Een
foto staat niet alleen voor het landschap dat wordt getoond,
maar tevens voor de soort emotie die daar aan verbonden
is. Ieder beeld of afbeelding wordt dus een hoogtepunt
van de beleving, zonder voorgeschiedenis of afloop. Dit
fenomeen geeft niet alleen afstand en verwarring in de
tijd maar ook in de beleving. Steeds is er de afstandelijke
benadering van het landschap. Abstracte parameters als
kleur, verhouding en harmonie spelen een overheersende
rol. Het weer is daarin een niet te onderschatten factor.
Met een iets andere uitsnijding kan de essentie van een
landschap lijken te veranderen. Zelfs een zwart randje
er omheen geeft een andere atmosfeer.
Met het gebruik van de fotografie als zogenaamde referentiebeelden bij plannen
of ontwerpen helpen wij dus (on)bewust mee aan vervalsing en dwingen de kijkers
(opdrachtgevers) een wereld te accepteren die nooit zal verwezenlijkt worden
of bestaan.
Piet Meeuse voegt daaraan toe in zijn boek Doorkijkjes (1995): Bijna alles
wat je waarneemt, vergeet je onmiddellijk. Ogen zijn niet gemaakt om naar beelden
te kijken - maar zonder die beelden zouden we ons nauwelijks bewust zijn van
de onuitputtelijke rijkdom van het zichtbare. De verbluffende schoonheid van
de eenvoudigste, alledaagse dingen: spiegelingen in een modderplas, de sculptuur
van een interhaast neergeworpen jas, een glas water waar de zon in schijnt,
of een stuk brood op tafel - vaak zie je het pas nadat je er beelden van hebt
gezien. Dat wil zeggen: nadat je gezien hebt hoe anderen het zagen. Het beeld
is opvoeder van het oog.
Toch leven we zogenaamd in een wereld van beeldcultuur. Maar kunnen wij wel
communiceren via het beeld? Krijgen wij wel zoveel beeld via onze ogen in onze
geest binnen of zijn deze beelden alleen werkelijkheid omdat ze voortdurend
vergezeld gaan van geluid? Ontdoen we de beelden van hun geluid (film, reclamespot,
videoclip) blijft er dan een realiteit achter in het geheugen? Is dit het verschil
met een tekening of schilderij?
3 – Een oud verhaal
Langs
de oevers en de kades staat wel altijd iemand te kijken.
Half over de fiets geleund of met open portier, de benen
naar buiten, half in de auto. Nooit echt plaats nemend,
altijd op het punt weer verder te gaan in het eigen bekende
leven. Meestal alleen, hoogst zelden met een ander in
gesprek. Men komt hier niet voor een praatje maar om
de fascinatie voor de beweging te ondergaan. Die verlammende
betovering dient men zonder gezelschap, solitair, te
beleven. De aangenomen houding wijst erop dat het om
een tussendoortje gaat, dat het vertoeven aan de rivier
geen programmapunt is in het dagelijkse leven. Kijken
naar de boten, naar hen die vertrekken, op reis zijn,
bewegen, durven. Zij die op weg zijn naar plaatsen waar
men zelf nooit zal arriveren of zij die komen van oorden
waarvan men de namen slechts respectvol in de eigen gedachten
laat rondzingen. Geheimzinnig, avontuurlijk, spannend.
Het mooiste is om een plekje in te nemen voor een bocht in de rivier. De schepen
verschijnen dan plotseling en verdwijnen resoluut. Het allermooist is het als
het mist en de nevels het landschap een magisch karakter geven. Bij uitzondering
verkrijgt men dan het allergrootste geluk: het droevige geluid van een misthoorn.
Vroeger werden de kinderen vermaand met de dreiging dat ze met een schip meegegeven
zouden worden als ze niet braaf waren. Mee moesten met die onbekenden naar
verre werelden, zwervend van oord tot oord.
Vroeger werden de schipperskinderen vermaand met de dreiging dat ze aan de
oever achtergelaten zouden worden als ze niet braaf waren. Tussen al die onbekenden,
voor altijd blijvend in dat onbekende land achter de dijken.
4 – Grootheid
Natuurlijk
is er de macht van het voortstuwende water. Natuurlijk
is er de schrik voor de dijkdoorbraak en de val van de
achterliggende polders. Natuurlijk is er angst voor de
macht van de rivier die half Europa verbindt en tegelijk
landsdelen van elkaar scheidt. Maar bovenal is er het
ontzag en de eerbied voor haar grootheid. Een grootheid
die zichzelf verklaart in het horizontale vlak en de
evenwijdige lijnen. De grondlijn van alle bestaan. De
rivier is de Majesteit van het horizontalisme. Zij laat
de horizontale lijnen domineren, gevormd door de dijken
en de rijen populieren. Zij biedt weliswaar haar lichaam
aan als een spiegel van de hemel, alsof het verticalisme
van de theologie, de relatie tussen mens en God, zou
domineren op de relatie tussen mensen onderling. Maar
niets is minder waar, haar gerichtheid blijft op het
aardse. De misleiding vormt het licht, het ‘Hollands
Licht’. Het licht en de lucht van Nederland. De
mythe is eeuwenoud en wil dat het licht in Holland iets
heel bijzonders is. Beroemd geworden dankzij de schilderkunst,
groot geworden door de Haagse School. Het licht is er
nog altijd boven de rivier, maar het is ook een manier
van kijken. Een kijken welk gepaard gaat met een zekere
traagheid, vreemd aan de hedendaagse wereld. Door het
kijktempo te remmen. Een sensibel en subtiel kijken,
door zelf het beeld te kadreren en uit te snijden. Door
de tijd te nemen het veranderende licht waar te nemen.
Dan is het of je kunt kijken in een grootheid van aanwezigheid,
die loopt van de 17de eeuwse meesters, via Vermeer naar
de Haagse School tot Mondriaan.
5 – Voor de mensen
Tussen de dijken huist de rivier
Buigzaam als een vrouwenlichaam
Traag als een pelgrimstocht
Een stip verdwijnt in haar oksel
Stroomopwaarts stomend
Schipper aan dek
In uiterwaards gras
Oeverloos dromend
Kettinggerinkel bij de pont
Verwijlen dagjesmensen
Hopend op plezier
Gevlucht voor stadsvertier
En statig glijdt zij verder
Vergetend wat ooit is gebeurd
Herinneringen bezinken als slib
G.
Soetsluier
6 – Het engagement
Tegenwoordig
een gevaarlijk woord om in de mond te nemen. Toch de
gedurfde stelling: de rivier engageert zich. Hiermee
wordt niet de onverbrekelijke verbintenis bedoelt die
er ligt (loopt? stroomt?) tussen de rivier en de haar
omringende dijken, maar wel dat de rivier zich manifesteert
in een volstrekte eerlijkheid, immers zichzelf in alle
openheid koppelt met haar ‘rivier-zijn’.
Misschien verwerpt u deze positiebepaling als abstracte onzin, maar bij nadere
beschouwing? Hoe verschijnt de rivier aan ons waarnemingsvermogen? Als een
onschuldig beekje? Als een saai en onveranderlijk kanaal? Als een gemillimeterd
en gecontroleerd boezemwater? Nee, in alle betrouwbaarheid als een rivier,
als stromend water met potenties van gevaar en oncontroleerbaarheid. De rivier
toont zich in al haar volheid en volledigheid, als een oprecht totaal. Niet
zoals een bos of woud dat slechts een randje prijsgeeft, niet zoals een berg
die een onbekende achterkant heeft. De rivier zegt ons wie ze is, zij draagt
in haar rechtschapenheid al een voorspelling van de overmacht die ze op alle
andere elementen zal hebben. Op haar tijd, nu nog niet. Speel maar, zegt ze
ondertussen tegen ons, speel maar met me. Bevaar me, bedijk me, bezwem me,
bewonder me.
Af en toe toont ze ons een glimt van haar sublimiteit, op een wijze die de
schoonheid in haar hoogste vorm vertoont. In hoge mate verheven en mooi biedt
ze ons een zo sterke emotie. Een sublimiteit die verwijst naar de 18de eeuw
waar dit gepaard ging met een zekere verbijstering en zelfs angst; in de definitie
van E. Burke een ‘genotvolle verschrikking’.
Michel Lafaille
april 2004 |