De zitplek
Vooreerst
dienen we onderscheid te maken tussen zitplekken en zitplaatsen.
Deze laatste vinden we in de bus of de trein. Het zijn,
een beetje ordinair, de plaatsen om te zitten. Hun antoniem
is staanplaatsen, welk vroeger werd gebruikt als aanduiding
van een mindere klasse, tegenwoordig als identificatie
voor laatkomers of uitslapers, bijvoorbeeld in de trein.
De zitplaats handelt dus meer over het zitten zélf
dan over de plaats. Het werkwoord zitten is een gecompliceerd
infinitief, met vele betekenissen. Denk maar aan het
verschil tussen ‘te paard zitten’ en ‘aan
de grond zitten’; ‘aan de koffie zitten’ en ‘op
de centen zitten’; ‘op hete kolen zitten’ en ‘in
het haar zitten’. Zitten wordt ook erg veel gebruikt
om negatieve eigenschappen of activiteiten aan te duiden:
je zit te liegen, je zit je te vervelen, je zit te plagen
of je zit maar te zitten. Ingewikkelder wordt het nog
doordat ook de Kamer zit, net zoals de dokter (maar alleen
van één tot twee) en zelfs de koningin
(op de troon). Men kan ook in het bestuur zitten, in
de klas zitten (waar men stil moet zitten, zelfs kan
blijven zitten), in de gevangenis zitten (op water en
brood zitten) of met zijn neus in de boeken zitten. In
de Tour de France kan een renner kapot zitten, in Vlaanderen
kun je erdoor zitten en in Nederland kun je in de kleine
kinderen zitten. Je kunt ergens mee zitten, maar je kunt
ook een meisje laten zitten. Om nog niet te spreken over
het schip dat aan de grond zit, de muziek die erin zit
of de familie waar hét in zit. Zelfs een bal kan
zitten (één nul).
De
zitplek daarentegen is van een heel andere orde. Het
is een wat geheimzinniger (w)oord, dat zelfs in de Van
Dale niet te vinden is. Het is een indirect woord dat
wijst op een omgeving. Het vormt een uitnodiging deel
te nemen aan de ons omringende wereld, waar wij anders
achteloos aan voorbij zouden gewandeld zijn. Het is een
meestal vormgegeven ruimte, een plek in de wereld, die
een extra functie heeft gekregen. Zij duidt namelijk
aan dat wij ons moeten bezinnen. Op het rondom ons liggende
landschap of op de lengte van onze reisweg. De zitplek
ligt dus altijd tussen onszelf en het door ons gestelde
doel. Het is een tussenwereld, een interludium.
Een plek waar het leven een poosje wegvalt, waar vooral de lopende tijd even
stilvalt. Het zou immers idioot zijn om uitkijkend over een Alpendal te zeggen
dat we hier 12 minuten blijven zitten.
Dat wil dus ook zeggen dat wij nooit als eersten een zitplek benaderen, laat
staan ontdekken. Iemand is ons voor geweest en heeft besloten dat, gezien de
afstand die nog af te leggen is naar de top van de berg of gezien het prachtige
panorama over bijvoorbeeld de Waal, déze plek bijzonder geschikt is
en de status van zitplek verdient. Toch zal deze wetenschap dat iemand ons
is voor geweest, ons nooit afhouden van het gevoel als eerste dit vergezicht
te aanschouwen. Wij zullen telkens opnieuw kleine Petrarca’s zijn die
hun Mont Ventoux beklimmen en voor het eerst de wereld in haar schoonheid ervaren.
Niets hindert ons in de illusie dat wij het zijn die de wereld ontdekken of
de poëzie van het uitgestalde landschap als enigen kunnen appreciëren.
Onze gedachten springen zo licht als berggemzen in het rond, ontdekken nieuwe
kleuren en vormen, mijmeren soms even bij een verre horizon of ervaren ten
volle het bestaan. Wij hebben daardoor geen oog voor de plek zelf waar we ons
bevinden en willen daar ook niet op gewezen worden. Tenzij, ...maar daar komen
we nog op terug. Nee, wij zullen ons later niet meer herinneren of het een
houten of stenen bankje was en dat willen we ook niet. Het gaat immers om iets
anders. Toch zijn deze plekken vormgegeven, want iemand heeft beslissingen
genomen. Dat siert de ontwerper, die zich heeft teruggetrokken in bescheidenheid.
Die nederig een stapje achteruit maakte, om dan met een kleine buiging en de
juiste gratie, zoals de Franse musketiers groetten voor hun koning, het potlood
in één zwierige lijn dit kleinood te laten vastleggen.
Dit zijn de juiste zitplekken die ons in staat stellen om te overzien, terug
en vooruit, te herbezinnen op de reis of het eigen leven en die ruimte bieden
om de confrontatie met de toekomst aan te gaan. Dikwijls bestaan ze alleen
uit een muurtje ter aanduiding, enige bankjes in een steegje, een enkele boom
als maat tegen de oneindigheid.
Of ze zijn voortreffelijk gekozen in een couleur locale en harmoniëren
in materiaalgebruik met hun omgeving in een uitdagende wulpsheid. Ze manifesteren
zich als kijkobject en willen nadrukkelijk betreden worden. Ze vragen om aandacht
en zijn, indien van het juiste gehalte, bijna decors die de karakteristieken
van de omgeving juist vergroten en versterken.
Dan
zijn er ook die anderen, die meer spreken van een intensiteit;
die een geconcentreerde verovering zijn, meestal op de
stad. Zij sluiten zich af en laten de bezoekers met de
rug naar het stadsleven plaatsnemen. Zij smeken om bezocht
te worden want zonder de mens kunnen ze niet bestaan,
omdat ze geen vista of zicht op het meer te bieden hebben,
maar ‘slechts’ de ontmoeting met de andere
mensen centraal staat; mensen die eerst voorzichtig keuvelen
over regen of kinderkabaal om dan orerend over te stappen
op politiek of teloorgang der zeden.
Tenslotte
zijn er de toevallige zitplekken. Ze worden dan weer
eens wel, dan weer eens niet opgemerkt en gebruikt. Is
de ontwerper tekort geschoten of geeft de plek maar af
en toe iets van haar magie prijs? Verwar ze niet met
de hangplekken, dat zou ze tekort doen, want de menselijke
aanwezigheid verleent ze op die momenten toch iets koninklijks.
Er bestaat waarschijnlijk geen regel voor.
En
zoals aan alles komt ook aan het verblijf op de zitplek
een einde. Men denkt het nu te weten en gaat weer zijns
weegs. De contouren van ons denkvermogen zijn even verlegd
en onze geest is kortstondig haar vrijheid gegund. Of
was het slechts fantasie? Een korte verbeelding van hoe
het had kunnen zijn? We kijken niet weerom naar wie na
ons de plek zal betreden.
Michel Lafaille
februari 2004 |