We zochten lauzes, zo heten de platte afgevlakte keien waarmee gebouwd wordt, een schuur, een stal, een dak, of die op het vuur gelegd worden om te verhitten en daarna iets op te bakken, een ei dat we van thuis meehadden, wat geplukte chanterellen, en een keer een dode vis die we hadden gevonden, maar toen die klaar was niet van durfden eten en tegen elkaar zeiden dat de beren hem wel kwamen opsmikkelen.
Hoeveel eeuwen hadden die stenen in de bedding gelegen, wachtend, met het water dat langs alle kanten om ze heen gleed, schurend, strelend, waardoor elke oneffenheid afvlakte, elke uitstulping verdween.
Reactie plaatsen
Reacties