Er is die foto gemaakt met een polaroidcamera, grofkorrelig en onscherp. Het beeld is niet te definiëren, de foto half ontwikkeld, te snel opengetrokken en daarna met een ongeduldig gebaar weggegooid.
Zij had toen de polaroid opgeraapt, zonder nadenken. Zo was ze opgevoed, een foto gooi je niet weg.
Ook al is alles onherkenbaar, toch wordt haar bestaan bevestigd. Geen echt bewijs, eerder een echo. Wel het enig tastbare want er is verder niets.
In haar hoofd vervaagt zij meer en meer en wordt de herinnering van een herinnering. Hun verleden wordt broos, de afstand te groot, hoe ze was, haar stem, haar gebaren. Het vervaagt en het is onmogelijk dat proces te stoppen.
Polaroids bezitten droefheid, een treurigheid die geen andere foto’s hebben, door die ongenaakbare witte rand waarin het moment opgesloten zit. Ze kan er niet bij. Zelfs met het oog tegen het papier lukt het niet naar binnen te kijken. Wat bij een spleet in de schutting wel lukt, of bij een sleutelgat.
Reactie plaatsen
Reacties