Vele jaren hoorde ik de vogels niet. Dat lag aan mij, niet aan hen. Ik sliep door hun gekwetter heen, moe van de zorgen of van te veel wijn, of misschien sliep ik met het raam dicht en wilde ze niet horen. Klonken ze te verwijtend, dan weer te onschuldig in hun totale overgave. Aan wat? Niemand die het weet, al romantiseren wij hun gezang, en horen er een ode aan hun schepper in. Stel je voor dat de olifanten dat zouden doen, midden in de nacht.
Nu zijn de vogels een soort gezelschap voor me geworden wanneer ik wakker word. Ik zou ze missen als ze er niet waren. Ik luister naar ze en probeer hun positie te bepalen. Wie zit er in de berkenboom, wie in de appel, boven op het dak of in het struikgewas. Ik beeld me in bij hen te zijn, even groot te zijn en opgenomen in hun midden. Wat zou ik zingen? Vast een simpel tschip, tschip. Meer weet ik niet te bedenken.
Prachtwezens zijn het.
Reactie plaatsen
Reacties